Archive for the ‘Landelijk’ Category

Op de Dam tegen Wilders

maart 19, 2008

Zaterdag sleep ik me dan toch maar naar de “Nederland bekent Kleur” manifestatie op de Dam in Amsterdam. Met enige tegenzin, inderdaad. Opnieuw zullen de uiterst dunne ideeën van de meester-provocateur uit Venlo een dag lang in de schijnwerpers staan. Wilders’ medestanders verheugen zich nu al op zijn commentaar dat de media ’s avonds zullen melden – wat zal het deze keer zijn, “schandelijk”, “gevaarlijk” of “ronduit walgelijk”?

Officieel is de Nederland bekent Kleur-bijeenkomst van zaterdag een “Manifestatie tegen discriminatie en vóór solidariteit”, maar in werkelijkheid wordt het natuurlijk gewoon een anti-Wilders manifestatie. Mohammed Rabbae, die het publiek op de Dam zaterdag ongetwijfeld zal bedienen van een vlammend betoog, geeft dit vandaag in de krant ook toe: “We spelen geen kiekeboe met elkaar. Wilders is de aanvoerder van het racisme.” Wilders als de grote boeman, waar iedereen, van Ad Visser tot Jan Pronk, Youp van ’t Hek tot Foppe de Haan, zaterdag tegen te hoop gaat lopen.

Discriminatie

Wilders is natuurlijk niet de aanvoerder van het racisme in Nederland. Veel van Wilders’ ideeën en uitspraken zijn ronduit discriminerend, maar Wilders is uiteindelijk slechts de leider van een middelgrote oppositiepartij die redelijk goed in de peilingen staat. Hij ontwikkelt geen beleid – dit gebeurt door de regering en de Europese Unie, en dit beleid is voor een deel discriminerend en racistisch. Neem bijvoorbeeld een plannetje dat vandaag door het CDA werd gelanceerd: werkloze Antillianen mogen Nederland niet meer in. Heb je een baan, dan mag het wel. Pure discriminatie. De Europese Unie wil slechts nog succesvolle, goedopgeleide migranten binnenhalen. De rest moet desnoods met geweld worden geweerd of uitgezet. Tot ‘illegaal’ verklaarde mensen worden in drijvende bajesboten gepropt, ook al zijn ze ‘technisch’ niet te deporteren. Misdadig beleid. Wie in Nederland niet veel geld verdient, of geen vast arbeidscontract heeft, mag geen partner uit het buitenland laten overkomen. Anderen wel. Dat is discriminatie.

Allemaal voorbeelden van standaard kabinetsbeleid waar Wilders het vast en zeker mee eens zal zijn. Maar hij heeft het niet bedacht, dit beleid is ontwikkeld en wordt nog steeds uitgevoerd door de collega’s van onder andere Ed Nijpels en Ed van Thijn, die zaterdag ook ‘genoeg is genoeg’ gaan roepen op de Dam. Het zou toch wel aardig zijn als iemand het publiek daarop zou wijzen.

Alle publiciteit is goede publiciteit?

Je kunt je verder afvragen in hoeverre de manifestatie van zaterdag nu bedreigend zal zijn voor de positie van Wilders. Sprekers zullen alle anti-Wilders argumenten die de laatste maanden tot vervelens toe in de media zijn herhaald nog eens aan de verzamelde meute voorleggen. De medestanders van Wilders zijn daar sowieso niet aanwezig, en zullen de manifestatie zien als het zoveelste bewijs van de schandelijke demonisering van hun grote leider door de ‘linkse kerk’. ’s Avonds zal Wilders ongetwijfeld trots op TV komen melden dat hij naar aanleiding van de manifestatie opnieuw scheldkannonades heeft ontvangen in zijn mailbox, zodat hij zich wederom kan wentelen in de rol van bedreigd voorvechter van het vrije woord. Van een “‘omslagpunt’ in het politieke klimaat in Nederland”, dat René Danen graag in de manifestatie ziet, zal geen sprake zijn.

Het is zelfs niet uit te sluiten dat alle aandacht voor Wilders in bepaalde kringen enkel bijdraagt aan zijn populariteit. Opiniepeilingen als de ‘politieke barometer‘ – hoe wantrouwend je hierover ook moet zijn – laten zien dat gedurende de afgelopen maanden, waarin Wilders vrijwel constant in het nieuws is geweest, de aanhang van de PVV gestaag is toegenomen. De aandacht voor Wilders lijkt de afgelopen weken een eigen dynamiek te hebben gekregen; hij hoeft er in feite zelf weinig meer voor te doen. Afgelopen maandag plaatste mediaproducent Harry de Winter een advertentie op de voorpagina van de Volkskrant, met een tekst waarin gesteld werd dat antisemitisme in Nederland onacceptabel is, terwijl Wilders’ hetze tegen moslims onbestraft blijft. Hij herhaalde hier een opvatting die Henk Kamp twee maanden eerder al over Wilders had geplaatst: “Ik vind een opmerking van Wilders: ‘er komt geen moslim meer het land in’ gelijk aan ‘er gaat geen jood meer het land uit”.

Het betrekken van antisemitisme bij de discussie over Wilders is echter onnodig en maakt de discussie over zijn ideeën alleen maar onduidelijker. Wilders – Bert Wagendorp merkte het vandaag in de Volkskrant al op – heeft het niet over joden, maar over moslims. Het aanvallen van Wilders op punten die weinig te maken hebben met zijn feitelijke standpunten – zoals de antisemitisme vergelijking, hem simpelweg te kijk zetten als ‘extremist’, en de oeverloze non-discussie over zijn film – houdt hem enkel in de media, en levert hem dus alleen maar meer aandacht en waarschijnlijk meer stemmen op. Vandaar ook dat Wilders het moment van de uitzending van de film zo lang mogelijk uitstelt.

Islam

Inhoudelijk zal er op de Dam ongetwijfeld veel worden gesproken over de discriminerende ideeën van Wilders over moslims, en terecht: veel van de uitspraken van Wilders zijn zonder meer discriminerend van karakter, iets wat zelfs werd aangegeven door de VVD’er Henk Kamp in een uitzending van Pauw en Witteman in februari. Wilders heeft inmiddels een indrukwekkende rij hatelijke opmerkingen over migranten, en in het bijzonder moslims op zijn conto staan. Bij het Openbaar Ministerie liggen al verschillende klachten wegens discriminatie te wachten op behandeling.

Een moeilijker punt wordt de ‘islamofobie’ van Wilders. Wilders heeft zoals bekend een enorme afkeer van de islam, en gebruikt daarbij graag krachttermen als ‘fascistisch gedachtengoed’, de islam als ‘het kwaad zelf’, Mohammed als een ‘enge duivel’ en dergelijke. De man draait volledig door in zijn afkeer van de islam, maar op zich is dat toegestaan. Sterker nog: ook een linkse manifestatie tegen Wilders zou ruimte moeten bieden aan kritiek op islamitisch fundamentalisme, juist om duidelijk te maken waar precies het onderscheid ligt tussen Wilders’ eenzijdige kritiek op de islam in het algemeen en noodzakelijke kritiek op het radicale islamisme, dat door links – net als fascisme en extreemrechts – dient te worden veroordeeld en bestreden.

Maar of hier veel ruimte voor zal zijn tijdens de anti-Wilders manifestatie van zaterdag is de vraag. Op de website van Nederland bekent Kleur is hier in ieder geval geen woord over te vinden. Is dit omdat men de manifestatie graag zo ‘breed’ mogelijk wil houden, zodat men zoveel mogelijk mensen binnen de boot kan houden?

Appa

Afgezien van deze kanttekeningen zal ik toch richting de hoofdstad trekken om deel te nemen aan de manifestatie. Behalve het feit dat een manifestatie rond anti-racisme-dag in rechtse tijden nooit overbodig is, verdient de hetze van Wilders en consorten tegen moslims een duidelijk weerwoord in het openbaar.

Bovendien ben ik wel benieuwd naar het optreden van Appa, toch een van de beste Nederlandse rappers van het moment. Ik probeer me voor te stellen hoe het er zaterdag aan toe zal gaan, achter de podiumtent van Nederland bekent Kleur, voorafgaand aan zijn optreden. René Danen: “Beetje rustig aan hè Appa, ga niet op het podium roepen dat Wilders voor jou is! Daar krijgen we anders grote problemen mee..” Appa: “Wat nou man, is dit een anti-Wilders demo of niet? Schijt aan die Wilders!” Danen: “Ja, maar we mogen niet demoniseren. Dan krijgen we last met de overheid.” Appa: “Okay man, dan zing ik wel schijt aan de overheid!!”

 Op vrijdag 21 maart is er in de Marinus van der Lubbe-zaal een debat over de ideeën van Wilders. Aanvang: 20:30.

Gepubliceerd op de website van Eurodusnie.

Advertenties

Christelijk reveil?

februari 21, 2008

Terwijl velen zich druk maken om de vermeende ‘islamisering’ van Nederland, worden we nu al bijna een jaar geregeerd door een kabinet met twee christelijke partijen. Premier Balkenende liet ons afgelopen zondag weten dat hij zonder christelijk geloof niet kan functioneren. Is dat erg?

Vorige week trad Jan Peter Balkenende op in “Hour of Power“, een christelijk-evangelisch programma uit Californië, dat gepresenteerd wordt door de in de VS immens populaire TV-dominee Robert Schuller. De Nederlandse uitzendingen van het programma worden verzorgd door de steevast hemels glimlachende ex-EO coryfee Jan van den Bosch, naast TV-presentator actief als touroperator en eigenaar van diverse vakantieparken. Balkenende werd niet als privé-persoon, maar uitdrukkelijk als premier geïnterviewd, in het Catshuis.

Op de vraag van Van den Bosch wat voor de premier ‘fundamenteel’ is, antwoordde deze: “fundamenteel is mijn eigen geloof, omdat je zonder het geloof niet kunt functioneren”. Balkenende legde uit dat het christendom zijn inspiratiebron is voor zijn visie op politiek en waarden, en verklaarde zich te beschouwen als een ‘kind van God’. Dit kwam hem op nogal wat kritiek te staan. Wim de Bie noemde het optreden van de premier op zijn website een “onomwonden propagandapraatje ten behoeve van het Christendom.” Een weblog dat zich “de stem van politiek incorrect links” noemt startte een internet-actie tegen de premier vanwege diens uitspraken. Jeroen Dijsselbloem van de PvdA wil Balkenende aan de tand gaan voelen over de vraag of ‘het kabinet wellicht een voorkeur heeft voor gelovigen’.

Met twee christelijke partijen in het kabinet is het natuurlijk onvermijdelijk dat er af en toe wat christelijke geluiden naar buiten komen. Minister Rouvoet van de Christenunie sprak onlangs de wens uit dat vrouwen eerder kinderen moeten nemen, en dat het nemen van meer kinderen de voorkeur heeft. Het is een gegeven dat dit kabinet warme aandacht heeft voor het gezin en inmiddels al een reeks maatregelen heeft genomen ten voordele van gezinnen – bijvoorbeeld de verbeterde kinderopvang, een ‘kindgebonden budget’ en gratis schoolboeken. Dit kabinet hecht sterk aan het christelijke idee van het gezin als hoeksteen van de samenleving, en heeft daarom ook als eerste kabinet in Nederland een minister voor gezinszaken.

Een ander punt waarop het christelijke karakter van dit kabinet steeds duidelijker naar voren springt is de abortuskwestie. De relatief liberale abortuswetgeving in Nederland is veel christenen een doorn in het oog, maar ze weten dat het tornen aan het recht op abortus maatschappelijk gevoelig ligt. Daarom moet het voorzichtig gebeuren: bijvoorbeeld door vrouwen eerst vijf dagen te laten ‘nadenken’ bij een overtijdsbehandeling, het instellen van een werkgroep die “alternatieven voor abortus” moet onderzoeken, en het aanstellen van de anti-abortus organisatie VBOK in deze werkgroep. En vorige week, tijdens een kamerdebat over medisch-ethische kwesties, stelde het CDA de termijn voor abortus ter discussie.

Er zijn nog wat andere discussies en beleidspunten van dit kabinet aan te wijzen die verband houden met het christelijke karakter van dit kabinet – de heisa rond de komende televisieuitzending van de pornofilm ‘Deep Throat’, het gedeeltelijk terugdringen van de zondagopenstelling van winkels, en, kort na het aantreden van het kabinet, de steun aan homofobe ‘weigerambtenaren’.

Het (mede) baseren van politiek beleid op christelijke ideeën is een ergerlijke zaak, en de verontwaardiging die hierover ontstaat is terecht. Nederland kent miljoenen ongelovigen, die het zich maar moeten laten aanleunen dat hun premier zijn politieke beleid laat inspireren door een religie die hen weinig zegt. De vele alleenstaanden in dit land kunnen het wel op hun buik schrijven ooit door dit kabinet tot ‘hoeksteen’ te worden gepromoveerd, en vrouwenorganisaties moeten met lede ogen toezien hoe er steeds meer geknabbeld wordt aan het recht op abortus. Met een premier die zonder het christendom niet kan functioneren, en een minister (en vice-premier) van gezinszaken die altijd fel tegen de legalisering van abortus is geweest, blijft waakzaamheid geboden.

Maar is het christelijke karakter van het inmiddels een jaar functionerende Balkenende IV nu het meest verontrustende kenmerk van dit kabinet? De verontwaardiging over de ‘christelijk-morele agenda’ wordt vaak wel erg stevig aangezet – alsof in Den Haag inmiddels “God op het pluche” zou zitten, de titel van een Vrij Nederland-debat van vorig jaar.

Neem nou het optreden van Balkenende in “Hour of Power”. Prima zaak dat Dijsselbloem binnenkort een puntje gaat scoren door de premier te ondervragen over diens ideeën over de scheiding van kerk en staat, maar zo dramatisch was het nu ook weer niet wat Balkenende in deze uitzending allemaal te berde bracht. Het gezellig voortkabbelende gesprek kende geen hoogtepunten en bestond voornamelijk uit een gezapige aaneenschakeling van stichtende woorden over naastenliefde, vrijwilligerswerk en mantelzorg, en natuurlijk de bekende Balkenpraat over “hoe gaan we met elkaar om”, “toekomstbestendig maken van het land” etcetera. Het eerder genoemde weblog van ‘Willem de Zwijger’ meende tegenover Jan van den Bosch de “Erdogan van de lage landen” te herkennen: een totaal belachelijke inschatting, al was het alleen maar omdat Erdogans opmerkingen in Duitsland voornamelijk nationalistisch van karakter waren.

It’s the economy, stupid!

En dan de oproep van Rouvoet aan gezinnen om vroeger en meer kinderen te verwekken: in de eerste plaats is het geen zaak van politici zich te bemoeien met de beslissing van vrouwen of en hoeveel kinderen ze op de wereld brengen. Een christelijke component èn een nationalistische component is hier ongetwijfeld aanwezig. Rouvoet gaf echter aan deze oproep vooral te doen in het kader van het opvangen van de gevolgen van de vergrijzing. In enkele omringende landen wordt inmiddels een actief ‘meer kinderen’ beleid gevoerd – inclusief premies voor moeders die kinderen baren – zonder dat hier sprake is van overwegend christelijke kabinetten. Of deze maatregelen ook zinnig zijn om de vergrijzingsproblematiek mee te lijf te gaan, en hoe serieus dit probleem überhaupt is, is een andere vraag, maar Rouvoets uitspraken zijn in de eerste plaats gebaseerd op economische, niet op christelijke motieven. De arbeidsmarkt moet goed gevuld blijven voor het bedrijfsleven, en Rouvoet stimuleert liever het nationale geboortecijfer dan het immigratiecijfer.

Deze overwegend economische motieven blijken ook uit de vanuit regeringshoek steeds vaker geuite wens dat Nederlanders, en zeker vrouwen, langer en meer moeten werken. Ook hier spelen economische argumenten als groei en het bekostigen van voorzieningen een hoofdrol. “Om te voorkomen dat de economische groei op lange termijn stagneert, moeten Nederlandse werknemers langer gaan werken” schreef economisch topambtenaar Chris Buijink eind vorig jaar in het blad ESB. Het ergert hem dat Nederland “wereldkampioen deeltijdwerken” is, en daarvan zijn vooral vrouwen de ‘schuldige’ – de reden waarom het kabinet de “Taskforce Deeltijdplus” heeft ingesteld. De emancipatienota van Minister Plasterk heeft onder meer tot doel de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten – opnieuw om de kosten van de vergrijzing te kunnen dragen. En die verbeterde kinderopvang: een belangrijk argument voor de regering om deze gratis te maken is het stimuleren van (hogere) arbeidsparticipatie van vrouwen.

Dat is de achtergrond van het ‘christelijke’ gezinsbeleid van dit kabinet: het veilig stellen van de hoeveelheid werknemers in de toekomst, zodat de economische groei op peil blijft. Het kabinet loopt hiermee keurig in de pas met de adviezen die door het Centraal Planbureau en de OESO worden gegeven, en onderscheidt zich aldus maar weinig van het beleid van vorige regeringen. Dit geldt in grote lijnen ook voor het sociale beleid, het buitenlands beleid en het immigratiebeleid.

De christelijke geluiden van het kabinet Balkenende IV zijn vaak ergerniswekkend, soms verontrustend, maar het is zaak ons hier niet op blind te staren. Wat overheerst is de continuïteit. Ook voor deze overwegend christelijke regering zijn burgers in de eerste plaats arbeidspotentieel, dat door langer en meer te werken de economische groei moet blijven opstuwen: eigenlijk hetzelfde wat al decennia lang gebeurt, ook in zoveel andere landen.

Gepubliceerd op de Eurodusnie website

De calculerende zorgconsument

februari 14, 2008

Tot voor een paar jaar geleden waren mensen voor ziektes en letsel verplicht verzekerd bij het ziekenfonds. Mensen met meer dan een behoorlijk inkomen waren particulier verzekerd, en betaalden wat meer. Sinds een paar jaar is de markt losgelaten op het zorgstelsel en is iedereen ‘zorgconsument’. Nu wordt er vanuit de branche geklaagd: “De calculerende burger is de ziektenkostenverzekering binnengemarcheerd.”

In tegenstelling tot de vroegere ziekenfondspatiënt of particulier verzekerde, wordt de moderne zorgconsument geacht zich jaarlijks als prijs- en keuzebewuste klant een weg te banen door het woud van zorgverzekeraars, op zoek naar het optimale pakket. Vooral tegen het einde van het jaar, als de nieuwe polissen moeten worden afgesloten, wordt de zorgconsument bestookt met aanbiedingen van zorgbedrijven, die hem of haar het beste pakket willen aansmeren. Te midden van dit geweld moet de zorgconsument de juiste keuze maken inzake allerlei kwesties: door welk bedrijf laat ik me verzekeren? Kies ik een aanvullende verzekering, en zo ja welke? Neem ik een extra tandartsverzekering? Op welk bedrag zet ik mijn eigen risico, of koop ik dit af met een extra verzekering? Zijn er nog kortingsmogelijkheden?

Het nieuwe zorgstelsel heeft volgens de website zorgkiezer.nl als voornaamste doel “het kostenbewustzijn van u, als consument, te vergroten en u te stimuleren de beste zorgverzekering voor u zelf af te sluiten tegen een scherpe premie”. In het begin was de burger nog wat onwennig met het nieuwe systeem. Voorheen werd het verzekerd zijn als vanzelfsprekend beschouwd; nu moesten er ineens allerlei lastige keuzes gemaakt worden. Maar gelukkig, de burger heeft zich aangepast en is nu getransformeerd in de moderne zorgconsument.

De profiterende zorgconsument

Dat de burger zich inmiddels goed heeft aangepast aan het door Hans Hoogervorst ingevoerde stelsel valt te lezen in het onlangs in het Financieele Dagblad verschenen artikel “Nieuwe zorgconsument verrast verzekeraar”. De hele ‘bedrijfstak’ van zorgverzekeraars heeft in toenemende mate te kampen met de calculerende zorgconsument, die een hoop geld betaalt voor zijn verzekering, en daar het optimale van terugverwacht. Uit het FD-artikel: “Mensen zijn in 2005 massaal aan het vergelijken geslagen. Velen kwamen tot de ontdekking dat hun polis mogelijkheden bood waar ze geen weet van hadden.”

Het heeft wel iets geestigs: zorgverzekeraars besteden bakken met geld aan reclame voor hun eigen bedrijf, met de bedoeling klanten te behouden of af te snoepen van andere zorgverzekeraars. Nog vóórdat het nieuwe zorgstelsel van kracht werd, in de jaren 2004-2005, werden de premies flink verhoogd, enkel om in 2006 de reclamecampagnes te kunnen financieren. Zorgpakketten worden sinds 2006 op dezelfde manier aangeprezen als nieuwe auto’s: de consument wordt verleid met aantrekkelijke kortingen, handige gadgets, gratis controlebeurten, en dergelijke. Maar nu slaat de vermarkting van de zorg op de sector zelf terug: de vroegere ziekenfondspatiënt is calculerend burger geworden, en maakt te goed gebruik van zijn of haar (aanvullende) polis. Een extra bril, een extra bezoekje aan een alternatieve therapeut: we hebben ervoor betaald, het staat in de polis, dus waarom niet? Sommige zorgverzekeraars raken zelfs in de financiële problemen door de profiterende zorgconsument. Erno Kleijnenberg van verzekeraar ONVZ: “Het is een probleem dat in de hele bedrijfstak speelt. Het probleem van een heel uitgebreide consumptie van zorg door de verzekerden”.

Boontje komt om zijn loontje. Door de vermarkting van de zorg verandert ook de houding van mensen. Als mensen niet meer in de eerste plaats als patiënt, maar als consument worden behandeld, gaan ze zich hier ook naar gedragen, en worden ze calculerende zorgconsumenten. De calculerende burger, een term die vaak in negatieve zin gebruikt wordt, wordt gecreëerd door de staat, die steeds meer delen van de samenleving aan de markt overlaat.

Lagere prijzen, goedkopere pillen

Zorgverzekeraars gaan echter met de tijd mee, en hebben nu een strategie ontdekt om het uitbundig profiteren van hun polis door zorgconsumenten aan banden te leggen, maar tegelijkertijd deze burger te blijven verleiden: de selectieve zorginkoop. Dat werkt zo: steeds meer zorgverzekeraars sluiten enkel nog contracten af met apothekers, fysiotherapeuten en ziekenhuizen die tegen messcherpe prijzen hun waren en diensten aanbieden. Een voorbeeld hiervan is de Zekur-polis van Univé. Zorgconsumenten betalen hiervoor een lage premie, maar zijn voor medische behandeling slechts welkom in 13 ziekenhuizen in het land, en kunnen voor medicijnen enkel terecht bij speciale internet-apotheken, die de goedkoopste merken verkopen.

Voorstanders van deze ontwikkelingen wijzen op de grotere keuzevrijheid die de consument krijgt, en de efficiencyverbetering die bereikt zou worden. Tegenstanders vrezen dat met deze ontwikkelingen een tweedeling in de zorg dichterbij komt: in de toekomst zullen mensen met weinig geld aangewezen zijn op de goedkoopste zorgpakketten, die slechts toegang bieden tot bepaalde ziekenhuizen met de soberste voorzieningen, en waarmee bepaalde (duurdere) medicijnen niet vergoed worden. Erno Kleijnenberg van ONVZ: “De belangrijkste drijfveer bij selectieve zorginkoop is het naar beneden brengen van de prijzen van ziekenhuizen en artsen. (…) Het gevolg zal zijn dat de zorg schraler en kariger wordt. Zorg is een kwetsbare tak van sport.”

Gepubliceerd op de website van Eurodusnie

Benoemen en bouwen

januari 21, 2008

Nadat Doekle Terpstra eind vorig jaar zijn ‘beweging tegen Wilders’ had aangekondigd, bleef het geruime tijd erg stil. Begin dit jaar echter lanceerde hij in Trouw het initiatief “Benoemen en bouwen”, waarmee Terpstra en aanhang het respect en de tolerantie in Nederland nieuw leven willen inblazen. Ook de Leidse burgemeester Lenferink schaarde zich afgelopen weekeinde achter de “Benoemen en bouwen”-beweging.

Al tijdens de Nieuwjaarsreceptie van de gemeente Leiden verraste Lenferink zijn borrelende toehoorders met een enthousiaste oproep om een lokale “Benoemen en bouwen” beweging op te starten. In het Leidsch Dagblad van afgelopen zaterdag vervolgt Lenferink zijn pleidooi. Hij doet een “dringende oproep aan de bevolking zich solidair te verklaren met de allochtone medemens.” De burgemeester maakt zich ernstig zorgen over de opkomende intolerantie en verharding, met name het ‘moslim-bashen’ zoals hij het noemt, en ergert zich aan de te zwakke tegenbeweging tegen Geert Wilders.

En zodoende prijkt Lenferinks naam inmiddels ook op de omvangrijke lijst van de ondertekenaars van de “Benoemen en bouwen”-brief van Doekle Terpstra. Op de webpagina van “Benoemen en bouwen” wordt trots gemeld dat de lijst met ondertekenaars nu bestaat uit “een waardig gemêleerd gezelschap waar nu ook de allochtone gemeenschap onderdeel van uitmaakt”. De ondertekenaars komen inderdaad van verschillende politieke partijen (Groenlinks tot en met de VVD is vertegenwoordigd) en ook uit allerlei delen van het ‘maatschappelijk middenveld’ zijn er veel steunbetuigingen voor het geschrift van Terpstra.

Om wat voor een geschrift gaat het hier nu eigenlijk?

De brief, die door iedereen ondertekend kan worden, is een hemeltergend saai epistel vol gemeenplaatsen en open deuren. Het is buitengewoon moeilijk er iets inhoudelijks in te ontdekken. Het valt dan ook niet mee het hele ding in een keer uit te lezen, terwijl de lengte absoluut meevalt. Al in de eerste zinnen wordt het weinig schokkende verlangen uitgesproken dat we “op een prettige en waardige manier met elkaar samenleven”. Daar zal niemand op tegen zijn. Ook wordt vermeld dat mensen respect voor elkaar moeten hebben, ook als hun culturele achtergrond anders is. En vooral niet discrimineren natuurlijk. Er wordt intolerantie en polarisering geconstateerd, en om daar wat tegen te doen, moeten we “stimuleren dat mensen problemen in de samenleving benoemen, aanpakken en oplossen, zodat burgers zich met elkaar verbinden.” Ook daar is geen speld tussen te krijgen. Problemen moeten opgelost worden, inderdaad. Tevens valt te lezen dat we ons aan de wet moeten houden, geen toevlucht moeten nemen tot geweld, en ons dienen te onthouden van extremisme. Als we gewoon maar een beetje fatsoenlijk zijn voor elkaar! Er zijn immers zulke mooie voorbeelden te noemen van prachtige projecten waar allochtone en autochtone Nederlanders respectvol met elkaar samenleven.

De opeenstapeling van goedbedoelde holle oneliners wordt nu bijna ondragelijk. De gemiddelde lezer moet nu toch wel de onweerstaanbare behoefte krijgen om op volle sterkte de eerste plaat van Motörhead op te zetten, het weblog van Jan Peter Balkenende te gaan lezen of harddrugs te gaan spuiten. Hoe weet iemand in vredesnaam zoveel nietszeggende frasen bij elkaar te schrijven?

Toch wordt de tekst aan het einde iets interessanter. “Het is tijd dat wij terugkeren naar de wortels van de Nederlandse traditie en een nieuwe balans vinden tussen de waarden van toen en de waarden van nu”, zo lezen we. Nu heerst intolerantie en polarisering. Toen, vroeger, was alles veel beter, en waren we ‘open en tolerant’.

Maar is dat wel zo?

Een groot deel van de ondertekenaars bestaat uit bestuurders afkomstig van de traditionele politieke partijen, PvdA, CDA en VVD. Kennelijk gaan de opstellers en ondertekenaars van de “Benoemen en bouwen”-brief er van uit dat zij altijd vorm hebben gegeven aan een open, tolerante maatschappij, en dat deze “van oudsher open en tolerante Nederlandse cultuur” om de een of andere reden ons door de vingers is geglipt. Bovengenoemde traditionele politieke partijen hebben echter in de afgelopen decennia een actieve rol gespeeld in de verharding en verrechtsing van de Nederlandse samenleving. Al lang voordat iemand gehoord had van Fortuyn, laat staan Wilders, werd met restrictieve wetgeving, zoals de Koppelingswet en de Vreemdelingenwet van 2000 (Cohen, PvdA), de verharding en intolerantie ingezet tegen migranten, illegalen en vluchtelingen. Kamerleden als Joop Wijn (CDA) en Henk Kamp (VVD) specialiseerden zich eind jaren negentig in het opeisen van harder beleid ten aanzien van asielzoekers en illegalen, en kregen dit ook. Vanaf het eerste kabinet Balkenende – Geert Wilders zat toen nog keurig bij de VVD – nam deze verharding enkel toe: Nederland ontwikkelde het meest restrictieve vluchtelingenbeleid van heel Europa, illegalen werden opgesloten in bajesboten en zelfs kinderen werden in vreemdelingendetentie gezet. Tegelijkertijd werd door de gezamenlijke lidstaten van de Europese Unie de grenzen van Fort Europa jaar na jaar versterkt, met duizenden doden per jaar als gevolg.

Ook op andere terreinen is de verharding al lang geleden ingezet. Onder het aanbidden van de heilige marktwerking werd afscheid genomen van sociale woningbouw en werd de huizenmarkt voor minder prijzige woningen overgeleverd aan commerciële corporaties. De gezondheidszorg werd overgelaten aan commerciële zorgverzekeraars, waardoor een groot deel van de enorm gestegen premies nu opgaat aan peperdure kantoren en reclames voor zorgbedrijven. De verzelfstandiging van energiebedrijven, die enkel uit zijn op een groter marktaandeel en meer winst, jaagt mensen verder op kosten. Opeenvolgende regeringen besloten flexwerk op allerlei manieren te stimuleren, zodat in Nederland nu een groeiend aantal mensen een onzekere, slechtbetaalde baan hebben. Mensen die aangewezen zijn op de sterk ‘gemoderniseerde’ sociale zekerheid, worden opgejaagd als zijnde niet-geïntegreerde profiteurs. Openbaar vervoer moet onder de verzelfstandigde NS winstgevend worden, en wordt dus steeds prijziger. Ook dit door bijna de gehele politiek – èn vakbeweging – gedragen neoliberale beleid heeft geleid tot een verharding van de samenleving.

Dit allemaal onder verantwoording van Elco Brinkmans CDA, Joris Voorhoeve’s VVD en Thijs Wöltgens PvdA, om maar wat willekeurige prominenten te noemen die hun krabbel onder de “Benoemen en bouwen” brief hebben gezet, en die nu jammeren over de verharding van de samenleving – een verharding die op allerlei fronten heeft plaatsgevonden, en die dus voor een belangrijk deel op het conto geschreven kan worden van de bezorgde ondertekenaars van Terpstra’s brief.

Wat moet er dan gebeuren, zult u nu zeggen. Is de beweging tegen Wilders niet te zwak, zoals burgemeester Lenferink beweert? Deze beweging is inderdaad te zwak, maar een initiatief zoals dat van Doekle Terpstra zal – ondanks de ongetwijfeld goede bedoelingen van de ondertekenaars – nog geen deuk in een pakje boter slaan, maar torst zoals gezegd wel een ton boter op het eigen hoofd. “Benoemen en bouwen” blijft steken in algemene vaagheden, want wat wordt er nu eigenlijk benoemd? Afgezien van de wat gratuite oproep dat we allemaal wat toleranter voor elkaar moeten zijn, in feite bitter weinig. Burgemeester Lenferink heeft gelijk dat het ‘moslim-bashen’ “buitengewoon schadelijk” is – maar een degelijke kritiek op Wilders zou bijvoorbeeld al een stuk scherper worden als het zich – in tegenstelling tot Wilders’ eenzijdige moslimfobie – scherp zou afzetten tegen het ultrarechtse en reactionaire gedachtengoed van de politieke islam, en godsdienstwaanzin in het algemeen.

Een beweging tegen Wilders zou sowiezo meer moeten zijn dan een beweging tegen Geert Wilders en enkel diens ideeën over de islam. Zo’n beweging zou zich niet enkel moeten richten tegen moslimhaat en intolerantie, maar ook tegen de nog steeds voortdenderende neoliberale kaalslag van de samenleving, iets waar Wilders – wat helaas maar weinig bekend wordt – ook een fervent voorstander van is.

Eerder verschenen op de Eurodusnie webpagina.

Trends van 2007

januari 5, 2008

Een nieuw jaar kan pas werkelijk van start gaan na een terugblik op het oude jaar. Dit geschiedde hedenavond tijdens een goed bezochte nieuwjaarsreceptie van het Eurodusnie collectief in ontmoetingsruimte de Linkse Kerk in Leiden.

Beste bezoekers van de Linkse Kerk,

Bij een nieuwjaarsreceptie hoort altijd een gezapige terugblik op het oude jaar, dus laten we daar maar snel mee beginnen, dan hebben we dat ook weer gehad. Ik zal mezelf beperken tot drie opvallende trends.

Het volk

Wat in de eerste plaats opvalt aan het jaar 2007 is dat het volk weer helemaal terug is. Het volk, dat wil zeggen de gewone man, en de gewone vrouw op straat. Meer dan ooit lijken politici gefixeerd op het volk. Wie de mening van de man in de straat weet te achterhalen en die kan verkondigen, die is spekkoper, zo lijkt de gedachte. Het nieuwe kabinet schreef een regeerakkoord waarin enkele vergezichten werden vastgelegd, en vervolgens ging men 100 dagen op toernee, om aan het volk te vragen hoe een en ander ingevuld moest worden.

Tenminste, dat was ongeveer de gedachte. Men ging luisteren naar het volk, in debat met de gewone man, om van hem te horen hoe er geregeerd moet worden. Maar daar worden politici toch juist voor betaald, zou je zeggen. Het is merkwaardig: eerst een verkiezingscampagne voeren, waarbij je mensen uitlegt waarom ze op jou moeten stemmen, en als je dan gekozen bent, aan “de mensen in het land” gaan vragen of ze misschien nog goede ideeën hebben.

Nog verder gaan de politici die werkelijk lijken te denken direct de mening van de man en vrouw in de straat te verkondigen. Ze zeggen dat ze heel anders zijn dan de gewone politici, zij weten namelijk werkelijk hoe het volk denkt. Zij zijn niet de spreekwoordelijke zakkenvullers uit Den Haag, maar zij zullen nu ècht wel eens gaan doen wat de bevolking wil! Fortuyn werd met deze aanpak behoorlijk populair, en tegenwoordig spelen Verdonk en Wilders hetzelfde spelletje.

Het is een raar mengsel van gemakzucht, populisme en lafheid waar politici met een dergelijke houding blijk van geven. En het is een soort oplichterij. De mogelijkheden van de parlementaire democratie in Nederland worden immers grotendeels bepaald en beperkt door de wetten van het grote geld. Het eerste kabinet Den Uyl streefde naar een radicale herverdeling van kennis, macht en inkomen, maar stuitte al snel op Den Uyls beruchte ‘smalle marges’ die de markteconomie ons oplegt. Die economie is nu eenmaal niet democratisch georganiseerd, hoeveel referenda en burgemeestersverkiezingen je ook organiseert. Politici zouden er goed aan doen gewoon te erkennen dat we opgescheept zitten met een beperkte democratie, en niet hun oren laten hangen naar het fantoombeeld van de ‘volksmening’, maar in plaats daarvan gewoon zelf nadenken en met goede ideeën komen. Dan merken ze vanzelf wel of mensen het daarmee eens zijn of niet. Hoedt u voor politici die menen dat ze zeggen wat het volk wilt of denkt, want het volk bestaat helemaal niet, net zo min als de gewone man of vrouw in de straat.

Poldermodel

Een tweede trend is de wederopstanding van het poldermodel in Nederland, een kleffe overlegcultuur waarbij conflicten uit de weg worden gegaan, maatschappelijk verzet als onproductief wordt gezien, en vakbonden zich nauwelijks meer onderscheiden van werkgevers. Hans Boot, redacteur van het blad Solidariteit en vorig jaar nog te gast in de zaal hiernaast, citeerde onlangs de volgende hemeltergende uitspraak van FNV-voorzitter Agnes Jongerius:

“Met het kabinet zeggen wij dat werkgever en werknemer in elkaar moeten investeren”.

Dat er wezenlijke belangentegenstellingen bestaan tussen werknemers en werkgevers, die gedachte lijkt bij de FNV-top geheel in rook opgegaan. Terwijl het toch zo simpel is: werkgevers willen geld verdienen en dus zo min mogelijk geld uitgeven aan werknemers. Werknemers willen uiteraard iets heel anders. Vakbonden moeten zich daarom slechts richten op drie brede doelen: meer geld, minder werk en meer vakantie. Maar de FNV omarmt liever het poldermodel, en daarom moeten teveel mensen in Nederland te hard werken voor te weinig geld.

De heilige status van het poldermodel bleek ook uit de woeste reacties die volgden op de scholierenacties van de vorige herfst. Hoe durven die scholieren zomaar hun les te verlaten en voor hun belangen op te komen, zo was in veel commentaren te lezen. Terwijl dat toch les nummer één is als het gaat om sociaal verzet: als je wat wilt bereiken, moet je gaan staken en de straat op gaan, en een hoop lawaai maken. Dat er dan hier en daar een prullenbak sneuvelt of een eitje door de lucht gaat hoort er een beetje bij, en is uiteindelijk peanuts vergeleken met bijvoorbeeld acties in het verleden van Franse boeren, die hun hand niet omdraaiden voor brandende barricades en tientallen kuubs rottende etenswaren op snelwegen. Het poldermodel is in feite niets meer dan een geïnstitutionaliseerde vorm van de kneuterige “doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg” mentaliteit, waarbij het uit de weg gaan van conflicten en onderdanigheid aan de overheid centraal staat.

Er zijn nog enkele trends waar ik hier, gezien de tijd, helaas niet nader op in kan gaan, zoals de ontsporende consumptiedrift, die er zelfs toe leidt dat sommige IKEA vestigingen niet eens meer open durven te gaan, de wederopleving van het christelijke arbeidsethos, en natuurlijk de nog steeds voortwoekerende opmars van het “platvoerse geraaskal”, zoals columnist Van Doorn het vandaag in dagblad Trouw aanduidt. Ook de War on Terror en de Led Zeppelin reünie laat ik hier even terzijde.

Ik zal me beperken tot één laatste trend, die helaas een blijvertje zal blijken te zijn, namelijk het compleet verdwijnen van de notie van privacy.

Privacy

Vroeger waren er nog veel mensen die waarde hechtten aan het idee dat het de overheid, of het bedrijfsleven, geen snars aanging wie jij was, waar jij heen ging of met wie jij omging. Ik herinner aan het massale verzet tegen de volkstelling van begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Mensen vonden dat het de overheid gewoon niets aanging, met z’n hoevelen wij hier in dit landje wonen. Een identiteitsbewijs werd nog beschouwd als een nazi-Ausweis beschouwd, zoals het hoort.

Helaas zijn de tijden nu veranderd, en nogal ingrijpend ook. Op wat actievoerders na heeft iedereen de legitimatieplicht geaccepteerd, als bestond deze al tientallen jaren. Met het toekomstige rekeningrijden en de ov-chip zijn ieders gangen te achterhalen, als dit al niet gebeurt door de vele bewakingscamera’s die steeds grotere delen van de publieke ruimte afspeuren op potentiële terroristen. In steeds meer bedrijfsgebouwen moet je je legitimeren als je naar binnen wilt, veel discotheken werken met persoonlijke streepjescodes, wie in Schiphol snel naar z’n vliegtuig wil kan door de irisscan heen, en wat mensen voor de rest nog aan persoonlijke informatie hebben zetten ze wel op hun hyves of myspace pagina. Mensen melden zich tegenwoordig zelfs vrijwillig aan voor websites, waarop hun lokatie van hun mobiele telefoon voor de hele wereld is te zien. Zoals schrijver Ronald van Haasteren het vorig jaar omschreef: “Het verlangen om als transparante mens door het leven te gaan, lijkt niet te stoppen en alleen maar aan populariteit te winnen.” Privacy behoort definitief tot het verleden, net als de kroontjespen, het palingtrekken en de paardenschuit.

De overheid haakt gretig in op deze trend, door dna van criminelen op te slaan, de legitimatieplicht te pas en te onpas af te dwingen, en privé-gegevens van internetproviders op te eisen. Ik kan me politieke demonstraties herinneren, waarbij door boze deelnemers “Nederland politiestaat!!” werd geroepen. Ik vond dat altijd wat overdreven. Twee weken geleden publiceerde nota bene de Telegraaf een artikel met de kop “Nederland bijna politiestaat”.

Vorige week kregen we bij Eurodusnie een e-mail van het Korps Landelijke Politiediensten, met het volgende verzoek:

Geachte heer, mevrouw, Het Korps Landelijke Politiediensten is door het kabinet gevraagd op het internet te gaan surveilleren. Gekeken wordt op welke wijze pro-actieve inzet van de politie op het net kan worden gerealiseerd. Wij zijn geïnteresseerd in uw ervaringen als ‘moderator’, en zouden graag met u van gedachten wisselen over de aanpak van internetsurveillance”.

Of we als burgers zelf maar even willen meewerken met het in de gaten houden van elkaar. In de DDR hadden ze dat vroeger efficiënt geregeld. Zoals een beroemd politicus het zo fraai kan uitdrukken: veel gekker moet het in Nederland niet worden!

Nog een fijn nieuwjaar allemaal.

Topinkomens en dalinkomens

december 20, 2007

Het lijkt op het rituele gebabbel over een mogelijke Elfstedentocht, alleen dan gebeurt het wat vaker: de om de zoveel tijd oplaaiende discussie over de topinkomens. Linksige mensen kunnen zich weer eens ouderwets kwaadmaken, en uiteindelijk gebeurt er helemaal niets. Dit in tegenstelling tot de dalinkomens: die zijn volop in beweging, naar beneden.

Vier jaar geleden ontwikkelde ex-Unilever topman Moris Tabaksblat de zgn. “Code Tabaksblat”, een gedragscode voor beursgenoteerde bedrijven die er – door afspraken over transparantie en het beperken van gouden handdrukken – uiteindelijk toe zou moeten leiden dat de ‘graaicultuur’ bij commissarissen en bestuurders van bedrijven enigszins zou worden beteugeld. Uiteraard mislukte dit falikant, want een cultuur waarbij topbestuurders tegen de tien miljoen verdienen en bij vertrek of verkoop bonussen meenemen van tientallen miljoenen, die verander je niet zomaar. Zeker niet als in het nabije buitenland de bonussen en inkomens nog vele malen hoger zijn.

En dus laait elke keer de discussie weer op, met steeds dezelfde argumenten, dezelfde gespeelde woede van goedverdienende sociaaldemocraten en vakbondsbobo’s, en steeds dezelfde uitkomst: nihil komma nul. Maar dat staat dan weer zo lullig, dus voor de vorm benoemt men dan een nieuwe commissie, die de materie weer eens moet gaan bestuderen. Deze keer was dat de Commissie Frijns. De conclusie van Jean Frijns, oud bestuurder van het ABP: de topinkomens moeten met rust worden gelaten, want anders vertrekken ze misschien naar het buitenland. Dat is dus hetzelfde argument dat al dertig jaar wordt ingebracht tegen het fiscaal aanpakken van topinkomens. En dus gebeurt er weer niets (al sputtert Wouter Bos nog wat tegen) en kunnen de topinkomens fijn blijven stijgen; op het ogenblik met zo’n tien procent per jaar.

Dit in tegenstelling tot de ‘dalinkomens’ die de laatste jaren in toenemende mate onder druk staan. Het grappige is dat de druk om de laagste inkomens verder te verlagen ondersteund wordt met hetzelfde argument dat gebruikt wordt om de topinkomens te verhogen: gebeurt het niet, dan vertrekken bedrijven naar het buitenland. De druk op de lagere inkomens is onder meer te zien in de sector van de postbezorging. Het rondbrengen van post was tot nu toe een eerbaar beroep; je verdiende er geen scheppen geld mee, maar je ontving een salaris waar je fatsoenlijk mee rond kon komen; bovendien waren er aardige secundaire arbeidsvoorwaarden.

Liberalisering

Als het aan het kabinet, TNT post en de Europese Unie ligt, verandert dit zo snel mogelijk en worden postbodes onderbetaalde stukloners. Zoals alles in de Europese Unie moet ook de postmarkt geliberaliseerd worden. Dit betekent grotere concurrentie op de postmarkt, en dus moeten de lonen naar beneden. TNT post, dat zo’n 60.000 postbodes in dienst heeft, wil er graag 10.000 van ontslaan. Hiervoor in de plaats komen flexibele krachten, die veel minder verdienen dan de oude postbodes. Dit moet, want de concurrenten van TNT (zoals Sandd en Selekt Mail) betalen stukloon aan hun postbezorgers, en daar moet TNT tegenop kunnen concurreren. Stukloon is lekker makkelijk: je betaalt als bedrijf mensen uiteindelijk zo’n 5 euro per uur, je hoeft geen arbeidsongeschiktheidsverzekering voor ze af te sluiten en vakantiedagen hoef je niet aan te bieden. Ziedaar de zegeningen van de marktliberalisering.

Toch is er een tijdelijke kink in de kabel: in Duitsland is men namelijk op het vreselijke idee gekomen om een minimuminkomen van maar liefst 8 euro in te voeren voor de postbodes. De reacties uit het bedrijfsleven waren furieus: hoe durft men zulke gigantische salarissen voor te stellen? Dat kunnen we toch niet betalen?? Ook TNT-topman Peter Bakker (die dit jaar voor zichzelf een salarisstijging van 42 procent heeft geregeld) sprak er schande van, en kondigde aan dat TNT op die manier onmogelijk kan gaan concurreren op de Duitse markt.

En dus blijft Deutsche Post voorlopig heer en meester op de Duitse postmarkt, zodat de aandelen van dit oude – inmiddels ook geprivatiseerde – staatsbedrijf flink stegen, iets waar Deutsche Post bestuursvoorzitter Klaus Zumwinkel fijn van kon profiteren, door meteen een persoonlijke optie op 200.000 aandelen van zijn eigen bedrijf uit te oefenen.

Pulpbaantjes

Ook in Nederland moet de afronding van de liberalisering van de postmarkt (middels de Postwet) even pas op de plaats maken, vanwege de situatie in Duitsland, maar ook omdat er nog een conflict is over de arbeidsvoorwaarden van Nederlandse postbezorgers. TNT vind dit niet zo erg – nu kunnen zij namelijk nog een tijdje alleenheerser op de Nederlandse markt blijven. Nieuwkomers als Sannd en Selekt Mail zijn echter woedend door het uitstel van de Postwet. Sandd-directeur Bart Stomphorst begrijpt niet waarom mensen iets tegen het stukloon hebben: “Honderdduizenden werken zo in Nederland, bijvoorbeeld als krantenbezorgers, garnalenpellers of aspergestekers” (Volkskrant, 15 december). Dat stukloon ertoe leidt dat mensen minder dan het minimumloon verdienen, en dat het dan toch wat lastig wordt om nog je huur te betalen, dat interesseert deze man natuurlijk geen fluit.

En binnen de logica van het kapitalisme heeft hij ook wel gelijk. Economisch journalist Olav Velthuis legt het uit in de Volkskrant van 8 december: de strijd van vakbonden tegen stukloon is een achterhoedegevecht. Stukloon is namelijk “onvermijdelijk na privatisering”: “de markt raakt daardoor zo gefragmenteerd dat nieuwe toetreders het zich eenvoudig niet kunnen permitteren om een leger postbodes in dienst te nemen. Dat is veel te duur”. En dus worden postbodes een soort pizzakoeriers.

Jammer dat die mensen voor het bezorgen van post slechts 5 euro per uur krijgen. Dat hoort nu eenmaal bij een geliberaliseerde markt.

Er is echter één enorm voordeel: door de postliberalisering kunnen Nederlanders zelf gaan kiezen door wie en door welk bedrijf zij hun brieven laten bezorgen. Is dat vooruitgang of niet?

Gepubliceerd op de Eurodusnie website, december 2007