Humanitaire missie

Twee Nederlandse advocaten deden afgelopen maandag aangifte tegen de Nederlandse militaire top wegens mogelijke schending van het oorlogsrecht in Afghanistan. Al twee dagen later kwam het antwoord van het Openbaar Ministerie: klacht ongegrond, de aangifte wordt niet in behandeling genomen.

In de aanklacht, ingediend door de advocaten Nico Steijnen en Meindert Stelling, wordt onder meer verwezen naar de gevechtshandelingen in de Uruzgan-enclave Chora in juni van 2007. In Chora is hard gevochten; de gevechtshandelingen hier worden beschouwd als de zwaarste waar Nederlanders bij betrokken zijn geweest sinds de Korea-oorlog. Eén van de gevechtshandelingen waarbij disproportioneel geweld tegen burgers zou zijn gebruikt betreft het bombardement op Qal ‘eh-ye Ragh. Dit dorpje van een paar honderd inwoners, waar zich Taliban-strijders zouden hebben verscholen, werd vanuit het op 30 kilometer afstand liggende Kamp Holland 24 uur lang met granaten bestookt door Nederlandse pantserhouwitzers. “Daarna is er een serie vliegtuigen overheen gegaan”, aldus journalist Arnold Karskens afgelopen dinsdag in het programma Pauw en Witteman.

Karskens interviewde verschillende overlevenden van het bombardement, die onder meer het volgende verklaarden: “Onder de slachtoffers waren kinderen, vrouwen en bejaarden en mijn zoon”. (…) “Van mijn familie zijn 11 mensen omgekomen en 40 gewond geraakt. Vier mensen hebben het overleefd, ik mijn broer en twee ooms.” (…) “Sommige lijken hadden geen hoofd, handen of benen. Iedereen was geraakt.”

Dan McNeill, commandant van de Navo-troepenmacht in Afghanistan, meent net als de Nederlandse advocaten Steijnen en Stelling dat het hier gebruikte geweld disproportioneel was. Hij noemde het zelfs “in strijd met het oorlogsrecht”. Nederlandse militairen zouden onvoldoende rekening hebben gehouden met mogelijke burgerslachtoffers. Ook president Karzai refereerde hieraan toen hij de actie veroordeelde: „Je opent niet het vuur op dertig kilometer afstand van het doel. Daarmee maak je vrijwel zeker slachtoffers onder de burgerbevolking.”

Dit blijken er in totaal zo’n 70 te zijn geweest. Bewoners van Qal ‘eh-ye Ragh waren niet geïnformeerd over het komende bombardement, in tegendeel – volgens Karskens hadden ze van ISAF zelfs het advies gekregen binnen te blijven tijdens gevechtshandelingen. Veel mensen hebben zich hieraan gehouden, en werden bedolven onder de kleien muren van hun woning.

Naast de kwestie Qal ‘eh-ye Ragh is er een ander voorval waarbij disproportioneel veel geweld zou zijn gebruikt, namelijk de bombardementen van 25 september 2007 op het dorpje Kakrak in het district Deh Rawod. Dit plaatsje werd vanuit de lucht gebombardeerd, ter ondersteuning van Afghaanse en Amerikaanse troepen die bezig zouden zijn geweest met het voorkomen van executies door Taliban in het dorp. Bij onderzoek achteraf werd vastgesteld dat van de 66 aangetroffen graven 33 van vrouwen en kinderen waren. Defensie erkent dit, maar benadrukt dat de luchtsteun niet werd verzorgd door Nederlandse vliegtuigen. Zo gemakkelijk kan Defensie zich hier echter niet vanaf maken: Deh Rawod is een district in Uruzgan, en in deze provincie heeft Nederland de leiding van, en dus ook de verantwoordelijkheid over militaire operaties die worden uitgevoerd.

Het in oorlogssituaties toepassen van disproportioneel geweld tegen burgers is in strijd met de Verdragen van Genève. Het van grote afstand met granaten bestoken van woonkernen waar zich honderden burgers bevinden leidt onvermijdelijk tot onschuldige burgerslachtoffers, dat kan een kind begrijpen. Toch ontkennen de ministers Van Middelkoop, Verhagen en Koenders dat er in Qal ‘eh-ye Ragh buitensporig geweld is gebruikt. De Commandant van de Nederlandse Strijdkrachten heeft “in alle gevallen rekening gehouden met de beginselen van proportionaliteit, die vergen dat de inzet in verhouding moet staan tot het nagestreefde doel”, aldus de ministers in antwoord op vragen van kamerlid Peters van Groenlinks, afgelopen december.

Het Openbaar Ministerie lijkt er ook van uit te gaan dat naar omstandigheden alles netjes en volgens het ‘oorlogsrecht’ verlopen is. De aanklacht van de advocaten Steijnen en Stelling werd razendsnel afgewezen, omdat het OM “op basis (van de aanklacht) geen strafbaar feit kan construeren in Nederland en ook niet ingevolge de Wet internationale misdrijven (WIM)”. Bovendien wijst het OM er op dat het vervolgen van bewindslieden volgens artikel 119 van de Grondwet enkel mogelijk is “bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer”. De advocaten hebben beroep ingesteld tegen de weigering van het OM om de militaire top voor schendingen van het humanitair oorlogsrecht te vervolgen.

Sowiezo is Defensie nog niet van deze kwestie af. Deze week werd bekend dat strafdeskundige en advocaat Liesbeth Zegveld namens Afghaanse nabestaanden van de slachtoffers van beide luchtaanvallen schadeclaims zal gaan eisen. De vraag wie precies het commando heeft gegeven tot het bombarderen van Qal ‘eh-ye Ragh en Kakrak, en wie daarvoor de eindverantwoordelijkheid draagt, zal dan onvermijdelijk aan bod komen. Daarnaast loopt er nog een onderzoek van het Openbaar Ministerie in Arnhem naar mogelijke strafbare feiten door Nederlandse militairen bij de strijd in Chora. Of het OM nu de aangewezen instantie is om oorlogsmisdaden, waar de Nederlandse staat voor verantwoordelijk is kritisch te onderzoeken, valt te betwijfelen.

Gepubliceerd op de website van Eurodusnie

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: