Archive for januari, 2008

Humanitaire missie

januari 31, 2008

Twee Nederlandse advocaten deden afgelopen maandag aangifte tegen de Nederlandse militaire top wegens mogelijke schending van het oorlogsrecht in Afghanistan. Al twee dagen later kwam het antwoord van het Openbaar Ministerie: klacht ongegrond, de aangifte wordt niet in behandeling genomen.

In de aanklacht, ingediend door de advocaten Nico Steijnen en Meindert Stelling, wordt onder meer verwezen naar de gevechtshandelingen in de Uruzgan-enclave Chora in juni van 2007. In Chora is hard gevochten; de gevechtshandelingen hier worden beschouwd als de zwaarste waar Nederlanders bij betrokken zijn geweest sinds de Korea-oorlog. Eén van de gevechtshandelingen waarbij disproportioneel geweld tegen burgers zou zijn gebruikt betreft het bombardement op Qal ‘eh-ye Ragh. Dit dorpje van een paar honderd inwoners, waar zich Taliban-strijders zouden hebben verscholen, werd vanuit het op 30 kilometer afstand liggende Kamp Holland 24 uur lang met granaten bestookt door Nederlandse pantserhouwitzers. “Daarna is er een serie vliegtuigen overheen gegaan”, aldus journalist Arnold Karskens afgelopen dinsdag in het programma Pauw en Witteman.

Karskens interviewde verschillende overlevenden van het bombardement, die onder meer het volgende verklaarden: “Onder de slachtoffers waren kinderen, vrouwen en bejaarden en mijn zoon”. (…) “Van mijn familie zijn 11 mensen omgekomen en 40 gewond geraakt. Vier mensen hebben het overleefd, ik mijn broer en twee ooms.” (…) “Sommige lijken hadden geen hoofd, handen of benen. Iedereen was geraakt.”

Dan McNeill, commandant van de Navo-troepenmacht in Afghanistan, meent net als de Nederlandse advocaten Steijnen en Stelling dat het hier gebruikte geweld disproportioneel was. Hij noemde het zelfs “in strijd met het oorlogsrecht”. Nederlandse militairen zouden onvoldoende rekening hebben gehouden met mogelijke burgerslachtoffers. Ook president Karzai refereerde hieraan toen hij de actie veroordeelde: „Je opent niet het vuur op dertig kilometer afstand van het doel. Daarmee maak je vrijwel zeker slachtoffers onder de burgerbevolking.”

Dit blijken er in totaal zo’n 70 te zijn geweest. Bewoners van Qal ‘eh-ye Ragh waren niet geïnformeerd over het komende bombardement, in tegendeel – volgens Karskens hadden ze van ISAF zelfs het advies gekregen binnen te blijven tijdens gevechtshandelingen. Veel mensen hebben zich hieraan gehouden, en werden bedolven onder de kleien muren van hun woning.

Naast de kwestie Qal ‘eh-ye Ragh is er een ander voorval waarbij disproportioneel veel geweld zou zijn gebruikt, namelijk de bombardementen van 25 september 2007 op het dorpje Kakrak in het district Deh Rawod. Dit plaatsje werd vanuit de lucht gebombardeerd, ter ondersteuning van Afghaanse en Amerikaanse troepen die bezig zouden zijn geweest met het voorkomen van executies door Taliban in het dorp. Bij onderzoek achteraf werd vastgesteld dat van de 66 aangetroffen graven 33 van vrouwen en kinderen waren. Defensie erkent dit, maar benadrukt dat de luchtsteun niet werd verzorgd door Nederlandse vliegtuigen. Zo gemakkelijk kan Defensie zich hier echter niet vanaf maken: Deh Rawod is een district in Uruzgan, en in deze provincie heeft Nederland de leiding van, en dus ook de verantwoordelijkheid over militaire operaties die worden uitgevoerd.

Het in oorlogssituaties toepassen van disproportioneel geweld tegen burgers is in strijd met de Verdragen van Genève. Het van grote afstand met granaten bestoken van woonkernen waar zich honderden burgers bevinden leidt onvermijdelijk tot onschuldige burgerslachtoffers, dat kan een kind begrijpen. Toch ontkennen de ministers Van Middelkoop, Verhagen en Koenders dat er in Qal ‘eh-ye Ragh buitensporig geweld is gebruikt. De Commandant van de Nederlandse Strijdkrachten heeft “in alle gevallen rekening gehouden met de beginselen van proportionaliteit, die vergen dat de inzet in verhouding moet staan tot het nagestreefde doel”, aldus de ministers in antwoord op vragen van kamerlid Peters van Groenlinks, afgelopen december.

Het Openbaar Ministerie lijkt er ook van uit te gaan dat naar omstandigheden alles netjes en volgens het ‘oorlogsrecht’ verlopen is. De aanklacht van de advocaten Steijnen en Stelling werd razendsnel afgewezen, omdat het OM “op basis (van de aanklacht) geen strafbaar feit kan construeren in Nederland en ook niet ingevolge de Wet internationale misdrijven (WIM)”. Bovendien wijst het OM er op dat het vervolgen van bewindslieden volgens artikel 119 van de Grondwet enkel mogelijk is “bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer”. De advocaten hebben beroep ingesteld tegen de weigering van het OM om de militaire top voor schendingen van het humanitair oorlogsrecht te vervolgen.

Sowiezo is Defensie nog niet van deze kwestie af. Deze week werd bekend dat strafdeskundige en advocaat Liesbeth Zegveld namens Afghaanse nabestaanden van de slachtoffers van beide luchtaanvallen schadeclaims zal gaan eisen. De vraag wie precies het commando heeft gegeven tot het bombarderen van Qal ‘eh-ye Ragh en Kakrak, en wie daarvoor de eindverantwoordelijkheid draagt, zal dan onvermijdelijk aan bod komen. Daarnaast loopt er nog een onderzoek van het Openbaar Ministerie in Arnhem naar mogelijke strafbare feiten door Nederlandse militairen bij de strijd in Chora. Of het OM nu de aangewezen instantie is om oorlogsmisdaden, waar de Nederlandse staat voor verantwoordelijk is kritisch te onderzoeken, valt te betwijfelen.

Gepubliceerd op de website van Eurodusnie

Benoemen en bouwen

januari 21, 2008

Nadat Doekle Terpstra eind vorig jaar zijn ‘beweging tegen Wilders’ had aangekondigd, bleef het geruime tijd erg stil. Begin dit jaar echter lanceerde hij in Trouw het initiatief “Benoemen en bouwen”, waarmee Terpstra en aanhang het respect en de tolerantie in Nederland nieuw leven willen inblazen. Ook de Leidse burgemeester Lenferink schaarde zich afgelopen weekeinde achter de “Benoemen en bouwen”-beweging.

Al tijdens de Nieuwjaarsreceptie van de gemeente Leiden verraste Lenferink zijn borrelende toehoorders met een enthousiaste oproep om een lokale “Benoemen en bouwen” beweging op te starten. In het Leidsch Dagblad van afgelopen zaterdag vervolgt Lenferink zijn pleidooi. Hij doet een “dringende oproep aan de bevolking zich solidair te verklaren met de allochtone medemens.” De burgemeester maakt zich ernstig zorgen over de opkomende intolerantie en verharding, met name het ‘moslim-bashen’ zoals hij het noemt, en ergert zich aan de te zwakke tegenbeweging tegen Geert Wilders.

En zodoende prijkt Lenferinks naam inmiddels ook op de omvangrijke lijst van de ondertekenaars van de “Benoemen en bouwen”-brief van Doekle Terpstra. Op de webpagina van “Benoemen en bouwen” wordt trots gemeld dat de lijst met ondertekenaars nu bestaat uit “een waardig gemêleerd gezelschap waar nu ook de allochtone gemeenschap onderdeel van uitmaakt”. De ondertekenaars komen inderdaad van verschillende politieke partijen (Groenlinks tot en met de VVD is vertegenwoordigd) en ook uit allerlei delen van het ‘maatschappelijk middenveld’ zijn er veel steunbetuigingen voor het geschrift van Terpstra.

Om wat voor een geschrift gaat het hier nu eigenlijk?

De brief, die door iedereen ondertekend kan worden, is een hemeltergend saai epistel vol gemeenplaatsen en open deuren. Het is buitengewoon moeilijk er iets inhoudelijks in te ontdekken. Het valt dan ook niet mee het hele ding in een keer uit te lezen, terwijl de lengte absoluut meevalt. Al in de eerste zinnen wordt het weinig schokkende verlangen uitgesproken dat we “op een prettige en waardige manier met elkaar samenleven”. Daar zal niemand op tegen zijn. Ook wordt vermeld dat mensen respect voor elkaar moeten hebben, ook als hun culturele achtergrond anders is. En vooral niet discrimineren natuurlijk. Er wordt intolerantie en polarisering geconstateerd, en om daar wat tegen te doen, moeten we “stimuleren dat mensen problemen in de samenleving benoemen, aanpakken en oplossen, zodat burgers zich met elkaar verbinden.” Ook daar is geen speld tussen te krijgen. Problemen moeten opgelost worden, inderdaad. Tevens valt te lezen dat we ons aan de wet moeten houden, geen toevlucht moeten nemen tot geweld, en ons dienen te onthouden van extremisme. Als we gewoon maar een beetje fatsoenlijk zijn voor elkaar! Er zijn immers zulke mooie voorbeelden te noemen van prachtige projecten waar allochtone en autochtone Nederlanders respectvol met elkaar samenleven.

De opeenstapeling van goedbedoelde holle oneliners wordt nu bijna ondragelijk. De gemiddelde lezer moet nu toch wel de onweerstaanbare behoefte krijgen om op volle sterkte de eerste plaat van Motörhead op te zetten, het weblog van Jan Peter Balkenende te gaan lezen of harddrugs te gaan spuiten. Hoe weet iemand in vredesnaam zoveel nietszeggende frasen bij elkaar te schrijven?

Toch wordt de tekst aan het einde iets interessanter. “Het is tijd dat wij terugkeren naar de wortels van de Nederlandse traditie en een nieuwe balans vinden tussen de waarden van toen en de waarden van nu”, zo lezen we. Nu heerst intolerantie en polarisering. Toen, vroeger, was alles veel beter, en waren we ‘open en tolerant’.

Maar is dat wel zo?

Een groot deel van de ondertekenaars bestaat uit bestuurders afkomstig van de traditionele politieke partijen, PvdA, CDA en VVD. Kennelijk gaan de opstellers en ondertekenaars van de “Benoemen en bouwen”-brief er van uit dat zij altijd vorm hebben gegeven aan een open, tolerante maatschappij, en dat deze “van oudsher open en tolerante Nederlandse cultuur” om de een of andere reden ons door de vingers is geglipt. Bovengenoemde traditionele politieke partijen hebben echter in de afgelopen decennia een actieve rol gespeeld in de verharding en verrechtsing van de Nederlandse samenleving. Al lang voordat iemand gehoord had van Fortuyn, laat staan Wilders, werd met restrictieve wetgeving, zoals de Koppelingswet en de Vreemdelingenwet van 2000 (Cohen, PvdA), de verharding en intolerantie ingezet tegen migranten, illegalen en vluchtelingen. Kamerleden als Joop Wijn (CDA) en Henk Kamp (VVD) specialiseerden zich eind jaren negentig in het opeisen van harder beleid ten aanzien van asielzoekers en illegalen, en kregen dit ook. Vanaf het eerste kabinet Balkenende – Geert Wilders zat toen nog keurig bij de VVD – nam deze verharding enkel toe: Nederland ontwikkelde het meest restrictieve vluchtelingenbeleid van heel Europa, illegalen werden opgesloten in bajesboten en zelfs kinderen werden in vreemdelingendetentie gezet. Tegelijkertijd werd door de gezamenlijke lidstaten van de Europese Unie de grenzen van Fort Europa jaar na jaar versterkt, met duizenden doden per jaar als gevolg.

Ook op andere terreinen is de verharding al lang geleden ingezet. Onder het aanbidden van de heilige marktwerking werd afscheid genomen van sociale woningbouw en werd de huizenmarkt voor minder prijzige woningen overgeleverd aan commerciële corporaties. De gezondheidszorg werd overgelaten aan commerciële zorgverzekeraars, waardoor een groot deel van de enorm gestegen premies nu opgaat aan peperdure kantoren en reclames voor zorgbedrijven. De verzelfstandiging van energiebedrijven, die enkel uit zijn op een groter marktaandeel en meer winst, jaagt mensen verder op kosten. Opeenvolgende regeringen besloten flexwerk op allerlei manieren te stimuleren, zodat in Nederland nu een groeiend aantal mensen een onzekere, slechtbetaalde baan hebben. Mensen die aangewezen zijn op de sterk ‘gemoderniseerde’ sociale zekerheid, worden opgejaagd als zijnde niet-geïntegreerde profiteurs. Openbaar vervoer moet onder de verzelfstandigde NS winstgevend worden, en wordt dus steeds prijziger. Ook dit door bijna de gehele politiek – èn vakbeweging – gedragen neoliberale beleid heeft geleid tot een verharding van de samenleving.

Dit allemaal onder verantwoording van Elco Brinkmans CDA, Joris Voorhoeve’s VVD en Thijs Wöltgens PvdA, om maar wat willekeurige prominenten te noemen die hun krabbel onder de “Benoemen en bouwen” brief hebben gezet, en die nu jammeren over de verharding van de samenleving – een verharding die op allerlei fronten heeft plaatsgevonden, en die dus voor een belangrijk deel op het conto geschreven kan worden van de bezorgde ondertekenaars van Terpstra’s brief.

Wat moet er dan gebeuren, zult u nu zeggen. Is de beweging tegen Wilders niet te zwak, zoals burgemeester Lenferink beweert? Deze beweging is inderdaad te zwak, maar een initiatief zoals dat van Doekle Terpstra zal – ondanks de ongetwijfeld goede bedoelingen van de ondertekenaars – nog geen deuk in een pakje boter slaan, maar torst zoals gezegd wel een ton boter op het eigen hoofd. “Benoemen en bouwen” blijft steken in algemene vaagheden, want wat wordt er nu eigenlijk benoemd? Afgezien van de wat gratuite oproep dat we allemaal wat toleranter voor elkaar moeten zijn, in feite bitter weinig. Burgemeester Lenferink heeft gelijk dat het ‘moslim-bashen’ “buitengewoon schadelijk” is – maar een degelijke kritiek op Wilders zou bijvoorbeeld al een stuk scherper worden als het zich – in tegenstelling tot Wilders’ eenzijdige moslimfobie – scherp zou afzetten tegen het ultrarechtse en reactionaire gedachtengoed van de politieke islam, en godsdienstwaanzin in het algemeen.

Een beweging tegen Wilders zou sowiezo meer moeten zijn dan een beweging tegen Geert Wilders en enkel diens ideeën over de islam. Zo’n beweging zou zich niet enkel moeten richten tegen moslimhaat en intolerantie, maar ook tegen de nog steeds voortdenderende neoliberale kaalslag van de samenleving, iets waar Wilders – wat helaas maar weinig bekend wordt – ook een fervent voorstander van is.

Eerder verschenen op de Eurodusnie webpagina.

Trends van 2007

januari 5, 2008

Een nieuw jaar kan pas werkelijk van start gaan na een terugblik op het oude jaar. Dit geschiedde hedenavond tijdens een goed bezochte nieuwjaarsreceptie van het Eurodusnie collectief in ontmoetingsruimte de Linkse Kerk in Leiden.

Beste bezoekers van de Linkse Kerk,

Bij een nieuwjaarsreceptie hoort altijd een gezapige terugblik op het oude jaar, dus laten we daar maar snel mee beginnen, dan hebben we dat ook weer gehad. Ik zal mezelf beperken tot drie opvallende trends.

Het volk

Wat in de eerste plaats opvalt aan het jaar 2007 is dat het volk weer helemaal terug is. Het volk, dat wil zeggen de gewone man, en de gewone vrouw op straat. Meer dan ooit lijken politici gefixeerd op het volk. Wie de mening van de man in de straat weet te achterhalen en die kan verkondigen, die is spekkoper, zo lijkt de gedachte. Het nieuwe kabinet schreef een regeerakkoord waarin enkele vergezichten werden vastgelegd, en vervolgens ging men 100 dagen op toernee, om aan het volk te vragen hoe een en ander ingevuld moest worden.

Tenminste, dat was ongeveer de gedachte. Men ging luisteren naar het volk, in debat met de gewone man, om van hem te horen hoe er geregeerd moet worden. Maar daar worden politici toch juist voor betaald, zou je zeggen. Het is merkwaardig: eerst een verkiezingscampagne voeren, waarbij je mensen uitlegt waarom ze op jou moeten stemmen, en als je dan gekozen bent, aan “de mensen in het land” gaan vragen of ze misschien nog goede ideeën hebben.

Nog verder gaan de politici die werkelijk lijken te denken direct de mening van de man en vrouw in de straat te verkondigen. Ze zeggen dat ze heel anders zijn dan de gewone politici, zij weten namelijk werkelijk hoe het volk denkt. Zij zijn niet de spreekwoordelijke zakkenvullers uit Den Haag, maar zij zullen nu ècht wel eens gaan doen wat de bevolking wil! Fortuyn werd met deze aanpak behoorlijk populair, en tegenwoordig spelen Verdonk en Wilders hetzelfde spelletje.

Het is een raar mengsel van gemakzucht, populisme en lafheid waar politici met een dergelijke houding blijk van geven. En het is een soort oplichterij. De mogelijkheden van de parlementaire democratie in Nederland worden immers grotendeels bepaald en beperkt door de wetten van het grote geld. Het eerste kabinet Den Uyl streefde naar een radicale herverdeling van kennis, macht en inkomen, maar stuitte al snel op Den Uyls beruchte ‘smalle marges’ die de markteconomie ons oplegt. Die economie is nu eenmaal niet democratisch georganiseerd, hoeveel referenda en burgemeestersverkiezingen je ook organiseert. Politici zouden er goed aan doen gewoon te erkennen dat we opgescheept zitten met een beperkte democratie, en niet hun oren laten hangen naar het fantoombeeld van de ‘volksmening’, maar in plaats daarvan gewoon zelf nadenken en met goede ideeën komen. Dan merken ze vanzelf wel of mensen het daarmee eens zijn of niet. Hoedt u voor politici die menen dat ze zeggen wat het volk wilt of denkt, want het volk bestaat helemaal niet, net zo min als de gewone man of vrouw in de straat.

Poldermodel

Een tweede trend is de wederopstanding van het poldermodel in Nederland, een kleffe overlegcultuur waarbij conflicten uit de weg worden gegaan, maatschappelijk verzet als onproductief wordt gezien, en vakbonden zich nauwelijks meer onderscheiden van werkgevers. Hans Boot, redacteur van het blad Solidariteit en vorig jaar nog te gast in de zaal hiernaast, citeerde onlangs de volgende hemeltergende uitspraak van FNV-voorzitter Agnes Jongerius:

“Met het kabinet zeggen wij dat werkgever en werknemer in elkaar moeten investeren”.

Dat er wezenlijke belangentegenstellingen bestaan tussen werknemers en werkgevers, die gedachte lijkt bij de FNV-top geheel in rook opgegaan. Terwijl het toch zo simpel is: werkgevers willen geld verdienen en dus zo min mogelijk geld uitgeven aan werknemers. Werknemers willen uiteraard iets heel anders. Vakbonden moeten zich daarom slechts richten op drie brede doelen: meer geld, minder werk en meer vakantie. Maar de FNV omarmt liever het poldermodel, en daarom moeten teveel mensen in Nederland te hard werken voor te weinig geld.

De heilige status van het poldermodel bleek ook uit de woeste reacties die volgden op de scholierenacties van de vorige herfst. Hoe durven die scholieren zomaar hun les te verlaten en voor hun belangen op te komen, zo was in veel commentaren te lezen. Terwijl dat toch les nummer één is als het gaat om sociaal verzet: als je wat wilt bereiken, moet je gaan staken en de straat op gaan, en een hoop lawaai maken. Dat er dan hier en daar een prullenbak sneuvelt of een eitje door de lucht gaat hoort er een beetje bij, en is uiteindelijk peanuts vergeleken met bijvoorbeeld acties in het verleden van Franse boeren, die hun hand niet omdraaiden voor brandende barricades en tientallen kuubs rottende etenswaren op snelwegen. Het poldermodel is in feite niets meer dan een geïnstitutionaliseerde vorm van de kneuterige “doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg” mentaliteit, waarbij het uit de weg gaan van conflicten en onderdanigheid aan de overheid centraal staat.

Er zijn nog enkele trends waar ik hier, gezien de tijd, helaas niet nader op in kan gaan, zoals de ontsporende consumptiedrift, die er zelfs toe leidt dat sommige IKEA vestigingen niet eens meer open durven te gaan, de wederopleving van het christelijke arbeidsethos, en natuurlijk de nog steeds voortwoekerende opmars van het “platvoerse geraaskal”, zoals columnist Van Doorn het vandaag in dagblad Trouw aanduidt. Ook de War on Terror en de Led Zeppelin reünie laat ik hier even terzijde.

Ik zal me beperken tot één laatste trend, die helaas een blijvertje zal blijken te zijn, namelijk het compleet verdwijnen van de notie van privacy.

Privacy

Vroeger waren er nog veel mensen die waarde hechtten aan het idee dat het de overheid, of het bedrijfsleven, geen snars aanging wie jij was, waar jij heen ging of met wie jij omging. Ik herinner aan het massale verzet tegen de volkstelling van begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Mensen vonden dat het de overheid gewoon niets aanging, met z’n hoevelen wij hier in dit landje wonen. Een identiteitsbewijs werd nog beschouwd als een nazi-Ausweis beschouwd, zoals het hoort.

Helaas zijn de tijden nu veranderd, en nogal ingrijpend ook. Op wat actievoerders na heeft iedereen de legitimatieplicht geaccepteerd, als bestond deze al tientallen jaren. Met het toekomstige rekeningrijden en de ov-chip zijn ieders gangen te achterhalen, als dit al niet gebeurt door de vele bewakingscamera’s die steeds grotere delen van de publieke ruimte afspeuren op potentiële terroristen. In steeds meer bedrijfsgebouwen moet je je legitimeren als je naar binnen wilt, veel discotheken werken met persoonlijke streepjescodes, wie in Schiphol snel naar z’n vliegtuig wil kan door de irisscan heen, en wat mensen voor de rest nog aan persoonlijke informatie hebben zetten ze wel op hun hyves of myspace pagina. Mensen melden zich tegenwoordig zelfs vrijwillig aan voor websites, waarop hun lokatie van hun mobiele telefoon voor de hele wereld is te zien. Zoals schrijver Ronald van Haasteren het vorig jaar omschreef: “Het verlangen om als transparante mens door het leven te gaan, lijkt niet te stoppen en alleen maar aan populariteit te winnen.” Privacy behoort definitief tot het verleden, net als de kroontjespen, het palingtrekken en de paardenschuit.

De overheid haakt gretig in op deze trend, door dna van criminelen op te slaan, de legitimatieplicht te pas en te onpas af te dwingen, en privé-gegevens van internetproviders op te eisen. Ik kan me politieke demonstraties herinneren, waarbij door boze deelnemers “Nederland politiestaat!!” werd geroepen. Ik vond dat altijd wat overdreven. Twee weken geleden publiceerde nota bene de Telegraaf een artikel met de kop “Nederland bijna politiestaat”.

Vorige week kregen we bij Eurodusnie een e-mail van het Korps Landelijke Politiediensten, met het volgende verzoek:

Geachte heer, mevrouw, Het Korps Landelijke Politiediensten is door het kabinet gevraagd op het internet te gaan surveilleren. Gekeken wordt op welke wijze pro-actieve inzet van de politie op het net kan worden gerealiseerd. Wij zijn geïnteresseerd in uw ervaringen als ‘moderator’, en zouden graag met u van gedachten wisselen over de aanpak van internetsurveillance”.

Of we als burgers zelf maar even willen meewerken met het in de gaten houden van elkaar. In de DDR hadden ze dat vroeger efficiënt geregeld. Zoals een beroemd politicus het zo fraai kan uitdrukken: veel gekker moet het in Nederland niet worden!

Nog een fijn nieuwjaar allemaal.