Archive for mei, 2007

Heiligendamm: Zinvol protest of spektakel?

mei 3, 2007

Honderden linkse organisaties in Duitsland, maar ook veel daarbuiten, zijn bezig met de mobilisatie voor protesten tijdens de top van de leiders van de G8-landen in het Duitse Heiligendamm, begin volgende maand. Wordt dit een wederopleving van de ‘anti’- of (anders-)globaliseringsbeweging, die een jaar of tien geleden voor het eerst van zich deed spreken?

Al snel na de opkomst van deze beweging, en met name na de spectaculaire protesten in Seattle tijdens de top van de Wereldhandelsorganisatie in 1999, ontstond er binnen links een discussie over de vorm van de protesten, maar ook over de inhoudelijke kant ervan. Veel interessante vragen kwamen bij deze discussie naar voren: Is protesteren tegen globalisering bij grote topconferenties wel zinvol? Hoe verhoudt protest tegen globalisering zich tot verzet tegen kapitalisme? Is de anti-globaliseringsbeweging niet grotendeels reformistisch, of zelfs conservatief van karakter? Is er eigenlijk wel sprake van een beweging?

In Duitsland is er een fel debat over “wel of niet meedoen” met de protesten in Heiligendamm, waarbij onder meer bovenstaande vragen aan de orde komen. Om wat nader in te gaan op de kritiek op de mobilisatie in Heiligendamm, is het zinvol even stil te staan bij de betekenis van de term ‘globalisering’ in economische zin, en hoe dit zich verhoudt tot kapitalisme.

Globalisering en kapitalisme

Globalisering is geen nieuw economisch systeem, en ook geen wezenlijke verandering in de werking van het kapitalisme of een ‘internationale vorm’ ervan. Het internationale karakter van het kapitalisme werd al door Marx vastgesteld in het Communistisch Manifest: “De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van haar producten jaagt de bourgeoisie over de hele aardbol. Overal moet zij zich innestelen, overal haar huis bouwen, overal verbintenissen aanknopen. De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. Zij heeft tot groot verdriet van de reactionairen aan de industrie de nationale bodem onder de voeten weggetrokken. De eeuwenoude nationale industrieën zijn vernietigd en worden nog dagelijks vernietigd.”

Afgezien van het internationale karakter van het kapitalisme bleven economieën tot ver in de vorige eeuw grotendeels nationaal gericht, en gereguleerd door nationale overheden. Met de komst van de globalisering veranderde dit sterk. Globalisering is de fase die het kapitalisme is ingegaan na de zgn.’crisis van het fordisme’, waar de westerse economieën in de jaren zeventig in terechtkwamen. Fordisme was de succesvolle formule van massaproductie- en consumptie na de Tweede Wereldoorlog, in combinatie met nationaal beschermde markten en Keynesiaans economisch beleid. De crisis uitte zich in inflatie, stagnatie van de economische groei, een scherpe daling van de winsten en groeiende werkloosheid. Het moeizame klassencompromis, dat bestond uit het instandhouden van een sociaal zekerheidstelsel in combinatie met relatief hoge lonen en werknemersrechten, vormde in toenemende mate een rem op de groei van het kapitaal.

Globalisering kan gezien worden als het antwoord, of de strategie van het kapitalisme op deze crisis. Economisch gezien kwam dit antwoord neer op een radicale liberalisering van de belangrijkste economische sectoren, verdergaande rationalisering van de productie en modernisering van de bedrijfsorganisatie, toenemende flexibilisering van het arbeidsproces en het loslaten van de regulering van internationale geld- en kapitaalstromen. Transnationale ondernemingen namen in macht, omvang en aantal enorm toe, en er is een opkomst van een ‘internationale managersklasse’. De nationale staat onderging een functieverandering: tot in de jaren zeventig waren economieën voor een groot deel puur nationaal gericht, en was de staat nog een belangrijke speler in die economie, als eigenaar er reguleerder. Na de jaren zeventig reduceren nationale staten hun rol als zelfstandige economische spelers en worden ze in toenemende mate de beschermer van het ‘eigen’ bedrijfsleven op de internationale concurrentiemarkt. De Duitse politicoloog Hirsch noemt dit de ‘nationale concurrentiestaat’.

Ondanks de globalisering is het beslist niet zo dat overal ter wereld de economieën volledig internationaal van karakter zijn geworden. Tot op de dag van vandaag blijft in veel landen de economie voornamelijk gericht op het gebied binnen de eigen grenzen of de eigen regio, en varieert de internationale gerichtheid van de economie van land tot land. Afgezien van deze relativeringen is de onthechting van de economie van de nationale staten een overal voorkomend en onomkeerbaar proces.

Nu is het de vraag waartegen geprotesteerd wordt in Heiligendamm: is men puur tegen de globalisering en tegen de ‘uitwassen’ die deze fase met zich meebrengt, zoals de gegroeide macht van multinationals, de opkomst van het ‘flitskapitaal’ of de verminderde invloed van nationale overheden op de economie? Of bestaat het protest uit een verwerping van de kapitalistisch ordening als zodanig?

Hier is geen eenvoudig antwoord op te geven, om de simpele reden dat het protest zeer divers van karakter is. Dit is altijd al zo geweest met de anti globaliseringsbeweging: deze bestaat uit een mix van groepen die een uitgebreide kritiek op het kapitalistische systeem naar voren schuiven, groepen die voornamelijk kritiek hebben op het feit dat het kapitalisme ‘doorgeschoten’ zou zijn en dus hervormd moet worden, tot groepen die zich voornamelijk op één issue werpen – bijvoorbeeld de schuldenlast van de derde wereld, of de militaire agenda van de G8 landen – en bij wie een meer algemene kritiek op globalisering of kapitalisme nauwelijks een rol speelt.

Een beweging die geen beweging is

Om deze reden is kritiek op de antiglobaliseringsbeweging zo moeilijk: het gaat in feite niet om een beweging, maar om een tijdelijke coalitie van een groot aantal uiteenlopende organisaties en individuen. De beweging is een brede coalitie waarbij onder andere grote NGO’s, ATTAC, ‘anti-imperialistische’ groepen, christelijke organisaties, anti militaristische groepen, de Linkspartei, antifa-groepen, vakbonden en communistische organisaties hun plaats opeisen. De beweging an sich heeft geen ideologie of politieke strategie, hoewel de critici van de andersglobaliseringsbeweging dit er wel graag in willen zien. Deze diversiteit wordt vaak gevierd als het sterke punt van de beweging. De redacties van enkele linkse bladen in Duitsland schrijven optimistisch: “Verheugend is de breedte van de beweging, die haar stem tegen de politiek van de G8-staten verheft. (…) Indien deze verschillende politieke en sociale milieus met elkaar in wisselwerking treden, kan uit deze veelheid een politieke tegenmacht voortkomen.” Het is een prachtig idee: een bonte verzameling protestgroepen en NGO’s, die één vuist gaat maken tegen het onrecht in de wereld.

Maar zal het ooit mogelijk zijn een vuist te maken? De grote diversiteit is immers tevens de zwakte van de antiglobaliseringsbeweging. Het gebrek aan een enigszins eensluidende kritiek levert een protestbeweging op die een vergaarbak is van analyses, alternatieven en agenda’s, die elkaar vaak bijten. Diversiteit wordt dan verdeeldheid, en het is de vraag of je dan nog wel van een ‘beweging’ kunt spreken.

Dit wordt onder meer duidelijk bij bestudering van de teksten van het Dissent netwerk, een verzameling groepen die de uitgangspunten van Peoples Global Action hebben overgenomen – onder meer een verwerping van kapitalisme, patriarchaat, racisme en religieus fundamentalisme. In een van haar uitgangsteksten levert het netwerk forse kritiek op de meer gematigde protestgroepen die tegen de G8 te hoop lopen – vakbonden, partijen en grote NGO’s. Een hervormingsagenda is een illusie volgens Dissent, en men legt uit niets te zien in pleidooien voor vermindering van de schuldenlast van arme landen, “meer transparantie” binnen de G8 of het streven naar een ‘sociaal kapitalisme’. Dergelijke organisaties leven in een droomwereld, meldt de website van Dissent.

Die ‘droomwereld’ heeft zich in Duitsland verzameld in het “G8 NGO platform”. Hieraan zijn organisaties verbonden als BUND (doelstelling: “ecologische en sociale grenzen aan de globalisering stellen”; “een convenant voor ethisch verantwoord ondernemen moet de verantwoordelijkheid van bedrijven tegenover het milieu en de samenleving verzekeren”) de “Erlassjahr-campagne” (“1000 ballonnen oplaten tegen de schuldenlast”), de organisatie “Global Marshall Plan”, die de uitvoering eisen van de Millennium-doelstellingen van de VN, en organisaties als de Evangelischer Entwicklungsdienst, die tijdens de G8 hun eigen protestvormen zullen presenteren, zoals acht minuten lang door heel het land de kerkklokken laten beieren en het vormen van een gebedsketen.

Er is een wezenlijk verschil tussen organisaties en coalities die de uitgangspunten van de kapitalistische ordening afwijzen, en groepen die hervormingen of aanpassingen voorstaan. Deze laatste groepen vinden in feite direct aansluiting bij politici als Angela Merkel, die ook pleiten voor meer aandacht voor “de sociale dimensies van globalisering” en “een rechtvaardiger globalisering die “iedereen kansen moet bieden”. Kapitalisme is echter geen systeem dat ‘gereguleerd’ kan worden als maar de juiste sociale maatregelen genomen worden, maar staat inherent voor uitbuiting, het voortdurend creëren en bevestigen van hiërarchische verhoudingen en milieuvernietiging. Het is een ordening die gebaseerd is op loonarbeid, privé-eigendom en de concentratie van economische beslissingsbevoegdheid bij kleine elites, zoals raden van bestuur, en is dus in wezen a-democratisch en te beschouwen als een vorm van economische dictatuur. Bijsturen of reguleren hiervan, hoe goed de bedoelingen van mensen die hiernaar streven misschien ook zijn, is een illusie die inderdaad thuishoort in een droomwereld.

De kritiek op het meer ‘hervormingsgezinde’ deel van de antiglobaliseringsbeweging, en de benoeming van een wezenlijk verschil in analyse tussen de hervormers en anti-kapitalisten is bepaald niet nieuw. Toch blijft de “beweging” zich graag als eenheid manifesteren bij grote spektakelbijeenkomsten als de G8. De verleiding is dan erg groot om de verschillen opzij te zetten en met het doel zo veel mogelijk ‘massa’ te creëren eensgezind de G8, of welke andere verzameling hotemetoten dan ook, als de vijand tegemoet te treden. Dit genereert misschien een hoop media-aandacht, en leidt weer tot een massa-demonstratie zoals op 2 juni in Rostock, waarbij (uit de oproep:)”de grootte, kracht en veelzijdigheid van ons bont en breed protest niet te overzien zal zijn”. Maar door het zich geforceerd presenteren als een grote beweging die zich kenmerkt door “eenheid in verscheidenheid” wordt een wezenlijk analytisch verschil ontkend, en moet men zich beroepen op gezochte of vertekende argumenten tegen de G8, zoals de volgende.

“De G8 is niet democratisch”

Veel organisaties die te hoop lopen tegen de G8 zien als belangrijke aanleiding voor hun protest het gegeven dat de G8-conferentie niet democratisch gekozen is, en dus niet ‘legitiem’ zou zijn. Zo beweert de organisatie ATTAC dat de G8 in strijd zou zijn met het “volkenrecht” en met de “normen en waarden van democratische landen”. Welke landen dan wèl de juiste normen en waarden hebben die de G8 niet heeft, wordt er niet bijverteld, maar dat zullen dan in ieder geval niet de landen zijn die bij de G8 horen. Maar is het wel zo zinvol om de G8 er van te beschuldigen “niet democratisch” te zijn? De leiders van de G8 zijn wel degelijk – in een weliswaar gebrekkig democratisch systeem – door de bevolking van hun landen gekozen, en dus is de G8 niet meer of minder democratisch dan een nationale regering van bijvoorbeeld Frankrijk. Bovendien, als de G8 niet democratisch zou zijn, zijn de protesten tegen de G8 dan wel democratisch? Allerlei NGO’s bieden zich, ook in Heiligendamm, aan als gesprekspartners van regeringen, maar wie heeft die NGO’s eigenlijk gekozen? En door welk democratisch proces zijn Bono en Bob Geldof verkozen tot onderhandelaar over de kwestie van de internationale schuldenlasten?

“De G8 als een illegale wereldregering”

De G8 wordt door veel organisaties gezien als een uitermate machtige instantie, of (zoals in de oproep voor de demonstratie van 2 juni te lezen valt) “een zelfbenoemde informele wereldregering”. ATTAC beweert dat de G8 dermate machtig is, dat het “alle andere mondiale organisaties controleren of blokkeren kan”, en dat de regeringsleiders in Heiligendamm gaan beslissen “over het lot van de wereld”. Het is echter maar de vraag hoe belangrijk de G8 top zelf is. Het is niet zo dat op deze top wereldschokkende besluiten zullen worden genomen; meer gaat het om een informeel samenzijn van de huidige regerings-representanten van de acht rijkste landen, dat toch voornamelijk een symbolisch karakter heeft en eigenlijk zelf onderdeel is van ‘het spektakel’. De leiders kunnen overeenstemming bereiken over bepaalde algemene beleidslijnen – maar dit is niet verplichtend (zie de holle beloftes over het kwijtschelden van schulden bij de Gleneagles-top in 2005), en concreet beleid moet eerst nog door de nationale parlementen heen. Zo is er geen sprake van dat de G8 kan besluiten ergens een oorlog te beginnen.

“De G8 staat voor kapitalistische globalisering”

In veel oproepen voor acties en demonstraties wordt de G8 gezien als een soort motor van de globalisering, en worden de acht landen die erin vertegenwoordigd zijn verantwoordelijk gehouden voor alle ellende die het kapitalisme met zich meebrengt. En van die acht landen wordt de VS dan vaak als de allerergste beschouwd – vandaar dat de anti-G8 demonstratie van het Nederlands Sociaal Forum bij het Amerikaans consulaat plaatsvond. Het is begrijpelijk en tot op zekere hoogte ook wel juist de regeringsleiders die in Heiligendamm bijeenkomen verantwoordelijk te houden voor bepaalde verschijnselen in het kapitalisme, zoals de privatisering van openbare nutsbedrijven of de ‘hervormingen’ van sociale zekerheidstelsels, maar de G8 of de G8-landen kunnen niet vereenzelvigd worden met ‘het kapitalisme’: dit is uiteraard geen sinister genootschap van 8 mensen, maar een dynamisch maatschappelijk systeem dat de economische en sociale relaties tussen mensen bepaalt, en dat gedragen wordt door vrijwel alle nationale staten, het bedrijfsleven (en niet alleen de multinationals), vakbonden en maatschappelijke organisaties – waarvan er trouwens veel meeprotesteren tegen de G8.

“Wij zijn met grote massa’s”

In veel oproepen voor de G8-protesten wordt benadrukt hoe massaal en veelzijdig het protest in Heiligendamm zal zijn, in tegenstelling tot “de kleine elite” van regeringsleiders, die zich onder strenge bewaking van leger en politie moet verschansen in een conferentieoord. Buiten staan de ‘goeden’, die de massa’s aan hun kant hebben, en daarbinnen zitten de kwaden, de ‘managers van het systeem’ – dat is vaak het beeld dat wordt neergezet. Kapitalisme is echter geen simpele kwestie van overheersing van een kleine groep rijken over een grote groep armen – of de ‘kwaden’ versus de ‘goeden’. De ‘managers’ die confereren in Duitsland hebben helaas miljoenen kiesgerechtigden achter zich staan, die niet bijeenkomen in Heiligendamm. Het is jammer dat er zo veel belang wordt gehecht aan de omvang van het protest, met name de “internationale massademonstratie” van 2 juni, die zo groot zal zijn dat de massa’s “niet te overzien” zijn. Maar maakt het veel uit of er 100.000 mensen protesteren, of 200.000? Belangrijker is dat voor de deelnemers en buitenstaanders, en hopelijk ook voor de G8-bobo’s, de eisen van de demonstratie duidelijk zijn en dat deze duidelijk overkomen.

Het moet overigens gezegd worden dat veel linkse organisaties die mobiliseren voor Heiligendamm bovenstaande bedenkingen uitgebreid in hun analyses hebben opgenomen. Coalities als de ‘Interventionistische Linke’ en Dissent, een organisatie als BUKO (die een uitstekende kritiek heeft op de rol van NGO’s bij de G8) maar ook bladen als Phase 2, Arranca en AK hebben omvangrijke verhandelingen gepubliceerd met betrekking tot de G8, waarin de neerslag van de kritiek die de antiglobaliseringsbeweging de laatste jaren heeft gehad duidelijk te merken is. Toch blijven vrijwel alle linkse organisaties die mobiliseren voor Heiligendamm vasthouden aan het motto “onze veelzijdigheid is onze macht”, waardoor op 2 juni vakbonds-bobo’s, NGO-afgevaardigden en radicaal-linksen gezamenlijk zullen marcheren onder de vage leus “een andere wereld is mogelijk”. Radicaal-links zou er beter aan doen dergelijke massa-demonstraties te laten voor wat ze zijn, en niet deel te nemen aan manifestaties waarin een ‘andere’ globalisering wordt verlangd, en waarbij het woord ‘kapitalisme’ niet eens wordt genoemd.

Nazis

Vanuit de hoek van de Antideutschen klinkt de kritiek dat de mobilisatie van links voor de G8 zich inhoudelijk nauwelijks onderscheidt van die van nazi-groeperingen. Wie de analyses over kapitalisme van bijvoorbeeld de Junge Nationaldemokrate – een nazigroepering die ook een demonstratie tegen de G8 organiseert – en linkse groeperingen als FelS naast elkaar legt merkt al snel dat de bewering van de Antideutschen onzinnig is. Nazis verzetten zich tegen kapitalisme omdat dit een bedreiging vormt voor volk en vaderland – kapitalisme is internationaal, en heeft lak aan nationale grenzen en volken. Globalisering betekent uiteindelijk de oplossing van volken, grenzen en naties, dat hebben de nazis goed begrepen. Linksen daarentegen juichen dit juist toe, en zijn tegen kapitalisme omdat dit systeem wereldwijd mensen uitbuit, ongeacht bij welk volk ze horen – vandaar de roep om internationale solidariteit. Alle linkse groeperingen die mobiliseren voor de G8 zetten zich bovendien uitdrukkelijk af tegen racisme, vluchtelingenkampen en deportatiebeleid, en om aan alle twijfel een eind te maken is een “Gemeinsame Erklärung gegen Nazis” aangenomen.

Het is wel zaak dat de antiglobaliseringsbeweging vasthoudt aan een volledige kapitalisme-kritiek, inclusief uitgangspunten als internationalisme, open grenzen en de verwerping van het kapitalisme als sociaal-economisch systeem. Als de kritiek op het kapitalisme zich vooral richt op het bestrijden van multinationals, het bekritiseren van de wereldwijde geldhandel of anti-Amerikanisme schiet de analyse niet alleen tekort, maar wordt ook het onderscheid met extreem-rechtse kritiek op globalisering onduidelijk. Wat dit laatste betreft is het onverteerbaar dat iemand als Oskar Lafontaine van de Linkspartei meeloopt in de ‘massademonstratie’ van 2 juni in Rostock. Hij beklaagde zich twee jaar geleden nog over ‘Fremdarbeiter’ die de banen van Duitse ‘gezinsvaders en moeders’ inpikken en spreekt graag in termen van ‘volken’ en ‘naties’, waarmee hij de deur naar rechts-populisme wijd heeft opengezet.

Tot slot moet er ook weer niet teveel waarde gehecht worden aan het spektakel volgende maand in Heiligendamm – zowel aan het spektakel van de G8 leiders, als aan dat van de tegenstanders. Ook al gaat het ambitieuze voornemen van onder meer het Dissent-netwerk lukken om de G8 conferentie effectief te blokkeren, dan nog zal het kapitalisme in Heiligendamm geen ‘geschiedenis worden’, zoals sommige actie-oproepen optimistisch stellen. Wel kan de topconferentie door activisten gebruikt worden, zoals Dissent schrijft, om “contacten en netwerken met politieke vrienden uit de hele wereld aan te knopen”. Of de sfeer daarvoor in Heiligendamm optimaal zal zijn, valt te betwijfelen. Met tientallen huiszoekingen nog voordat de top is begonnen, en de inzet van 16.000 agenten en 1100 militairen, lijkt net als in Genua repressie weer het hoofdthema van de G8-top te gaan worden.

Bron: Eurodusnie website, mei 2007

Advertenties

Fortuyns erfenis

mei 1, 2007

Bij het standbeeld van Fortuyn aan de Korte Hoogstraat in Rotterdam is een bordje geplaatst met de intrigerende tekst “Pim, je had gelijk”. Waar dit gelijk nu precies uit bestond is tamelijk onduidelijk, maar voor zijn volgelingen is dit van ondergeschikt belang. De media zijn deze dagen wanhopig op zoek naar het antwoord op de vraag wat nu de ‘erfenis’ van Fortuyn is.

Van de Lijst Pim Fortuyn is weinig anders meer over dan een partijarchief, ondergebracht op de zolder van voorzitter Bert Snel in Muiden, en een flinke rij ex-kamerleden met een wachtgeldregeling. De politieke nalatenschap van Pim Fortuyn is een stuk minder concreet. “Pim heeft zaken weer bespreekbaar gemaakt” wordt vaak gezegd, maar welke dingen dit dan precies zijn, wordt er zelden bijgezegd. Ook niet door Mat Herben, die in NRC Handelsblad verongelijkt vaststelt dat de politiek tegenwoordig “de problemen niet meer voorop stelt”, terwijl Fortuyn dit natuurlijk altijd wel deed.

Ondanks al deze vaagheid vallen er wel een paar grote lijnen te onderscheiden, die onderdeel uitmaken van wat je de ‘erfenis van Fortuyn’ kunt noemen.

De stem van het volk

In de eerste plaats beweerde Fortuyn altijd dicht bij het volk te staan, de “stem van de mensen in de straat” te vertegenwoordigen of zoals hij zelf zei tijdens zijn grote speech voor Leefbaar Nederland in november 2001: “we willen het land teruggeven aan de mensen”. De door Fortuyn verfoeide Linkse Kerk noemt dit vaak geringschattend ‘populisme’. Dicht bij het volk staan betekent dat je je voortdurend, zoals ook Geert Wilders doet, moet afzetten tegen “de politici in Den Haag”. Daar hoor jij als vertolker van de stem van het volk natuurlijk niet bij, nee, daar heb je een grote afschuw van. Met een frisse, alles doorziende blik kom jij naar Den Haag om eens flink de bezem erdoor te halen, en de grijze muizen die bezig zijn met die typisch Haagse ‘achterkamertjespolitiek’ te verdrijven. Dat kan door het bieden van simpele oplossingen voor complexe maatschappelijke problemen. Als de bureaucraten die in verzorgingshuizen de administratie doen nu eens achter hun bureau vandaan komen en bejaarden onder de douche gaan zetten, zijn de wachtlijsten in de zorg meteen verdwenen, beweerde Fortuyn graag. Om drugssmokkelaars af te schrikken moet je ze in open kooien op Schiphol opsluiten. Met dergelijke ideeën werd Fortuyn populair, en hield hij, zoals zijn chauffeur Hans Smolders zei, “de feeling met de gewone man”.

Deze versimpeling van de politieke realiteit waarmee men in het gevlei van “het volk” tracht te komen is aangeslagen bij politici. Voorbeelden van de “Jip en Janneke” redeneringen zijn er genoeg. Dion Graus van de PVV die de bierprijs voor drie jaar wil halveren om de brouwers te straffen voor prijsafspraken, ex-VVD leider Van Aartsen die bijstandsmoeders in de kinderopvang wilde neerzetten, dat soort overzichtelijke maatregelen. Dat het niet kan, niet klopt of niet werkt doet minder ter zake; het gaat er in de eerste plaats om dat je er populair mee wordt onder ‘het volk’. Ik moest hier ook meteen aan denken toen ik gisteren een sticker zag van de Leidse VVD-afdeling met de prikkelende tekst “PvdA, SP, Groenlinks en Christenunie bezuinigen 1,2 miljoen op ouderen en gehandicapten. Dit om 25 Leidse junks van heroïne te voorzien.” De ‘Linkse Kerk’ pakt geld van de gehandicapten en geeft het aan heroïnejunks! Daar smult het volk natuurlijk van. Topscorer in dit genre is de uitgerangeerde LPF’er Joost Eerdmans, die onlangs in een praatprogramma aangaf hoe de ambtenarenbureaucratie aangepakt moet worden: hij pakte een krant, liet enkele personeelsadvertenties van een ministerie zien, en zette hier op krachtdadige wijze een groot kruis doorheen. “Het geld dat we zo besparen kan rechtstreeks naar de bejaardenhuizen toe” kraaide hij. Eerdmans runt nu een website, waar burgers (uit “het volk”) ‘nutteloze’ ambtenaren kunnen aangeven. Het gegeven dat Eerdmans de prestigieuze Thorbecke-prijs ontving van de Universiteit Leiden zegt veel over het niveau dat – met dankzij Fortuyn – de Nederlandse politiek heeft bereikt.

Volg de leider

De tweede component van de ‘erfenis van Fortuyn’ is het centraal stellen van de leiderspersoon in de politiek, in plaats van de inhoud of een partij-organisatie. In het geval van Fortuyn nam dit zelfs de vorm aan van een persoonsverheerlijking die ongekend was voor de Nederlandse politiek. Fortuyn, die zijn eigen huis had volgehangen met portretten van zichzelf, genoot hier met volle teugen van en voelde zich pas mens als hij een massa aanbidders kon toespreken of een batterij camera’s op zich gericht had. De absolute leidersrol die hij had verworven bij Leefbaar Nederland – “het leken wel Oost-Europese verkiezingen van voor de val van de muur”, gaf hij zelf toe bij zijn verkiezing als partijleider – was bijna griezelig, zelfs toen na zijn geruchtmakende Volkskrant interview zijn positie in de partij onmogelijk was geworden. Het bestuur brak uiteindelijk met Fortuyn vanwege de opgelopen machtstrijd met Jan Nagel, en niet vanwege zijn omstreden uitspraken over het opzeggen van het Vluchtelingenverdrag, de islam als een ‘achterlijke cultuur’ en de grenzen sluiten voor asielzoekers. De aanbidding van de Leefbaar Nederland-top voor hun grote leider nam tijdens de leiderscrisis zelfs genante vormen aan. Een filmcamera legde de huilende bestuurder Broos Schnetz vast, die Fortuyn nauwelijks durft aan te kijken, en met trillende stem zegt: “We houden van je, en we geloven in je, maar sommige dingen kun je gewoon niet zeggen.. (snikt) ..Jij loopt gewoon twee stappen harder dan de rest (…) We zullen je nooit laten vallen”. Fortuyns positie in de Leefbaar Nederland-top was dermate overheersend en bepalend geworden, dat de partij volledig in elkaar zakte na zijn vertrek.

Fortuyn startte toen de LPF, waar zijn machtspositie absoluut was. Fortuyn was een soort popster geworden, en hoewel zijn positie wat dat betreft waarschijnlijk niet meer zal worden geëvenaard, werkt de persoonscultus in de politiek nog steeds door. Socioloog Dick Pels noemt het in NRC Handelsblad “sterrenpolitiek”; Paul Rosemöller stelt dat het vóór Fortuyn niet voorkwam dat politici om een handtekening werd gevraagd en Rita Verdonk probeerde enkel op basis van haar populariteit onder de bevolking het leiderschap in de partij over te nemen. Een idee dat samenhangt met de leiderspersoon-cultus is dat partijleden of een partijstructuur overbodig zijn. Marco Pastors vond voor zijn partij Een NL leden niet nodig: die zijn alleen maar lastig en veroorzaken een hoop rompslomp en administratie. Hetzelfde geldt voor Geert Wilders: absoluut leider van zijn partij en tevens enig lid en bestuurder, want niemand kan zich bij zijn partij aansluiten. Het centraal stellen van de leider, en het absoluut maken van de macht van één persoon in een partij is na Fortuyn sterk in opkomst. Dat is een belangrijke reden waarom veertig procent van de Nederlanders meent dat PVV-leider Geert Wilders het gedachtengoed van Fortuyn het best verwoordt.

Grenzen dicht

Maar dat laatste heeft ook een andere reden, en dat is het derde element van de ‘erfenis van Fortuyn’: de toegenomen afkeer van vreemdelingen, en met name moslims, die bovendien openlijk kan worden uitgesproken tegenwoordig. Fortuyn, zo bevestigt ook zijn ex-vriend Ari Versluis dit weekend in NRC Handelsblad, was bang voor alles wat niet-westers was. Hij kon moeilijk omgaan met vreemdelingen: “Hij kon wel met ze praten, maar alleen als ze geassimileerd waren en in een goede auto reden”. De westerse cultuur zag hij als “verheven”. Fortuyn wilde nog slechts nul asielzoekers toelaten, en had als ideaal “er komt geen islamiet meer binnen”. Tijdens een crisisberaad met het bestuur van Leefbaar Nederland schoot Fortuyn uit zijn slof, terwijl de camera meedraaide: “We hebben hier in het land godverdomme een vijfde colonne, van mensen die het land naar de verdommenis willen brengen. En daar ga ik niet voor. En ik zeg, u mag hier blijven, maar u past u aan. Ik moet maar horen, allah is groot, ik ben een vies varken, u bent een christenhond. Dat zeggen zij, en u vindt het goed? Ik ben heel beheerst geweest, maar u laat over zich lopen, en ik doe het niet meer. En dat is waar ik die zetels vandaan haal, want dit land is het zat.”

Dat ging er bij veel Nederlanders in als koek, en dat gegeven hebben veel politici in hun zak gestoken. En dus kan Jeroen Dijsselbloem nu pleiten voor “cultureel bepaalde straffen” voor Marokkanen, vertelt Hans Spekman dat illegalen “het brood weghalen van de mensen die hier legaal zijn”, meent Wilders dat de grenzen niet enkel dichtmoeten maar wenst hij bovendien dat de hier wonende moslims “vrijwillig het land verlaten”, denkt Henk Kamp dat vreemdelingen teveel rommel veroorzaken, en heeft Nederland nu het strengste immigratiebeleid van Europa. Fortuyn heeft de discussie over de islam en over integratie op de agenda gezet”, heet dat dan.

Populisme, persoonsverheerlijking en klagen over buitenlanders: dat is dan de erfenis van Pim Fortuyn. Toch vallen er ook wel wat aardige dingen over de man te zeggen. Zijn optredens op tv en toespraken, verzameld op de dvd ‘De nacht van Fortuyn’ – een absolute aanrader – blijven, afgezien van Fortuyns politieke ideeën, amusant en fascinerend om te zien. Fortuyn kon een goed betoog afsteken en maakte geen zurige, gefrustreerde indruk, en was wat dat betreft het tegendeel van zijn zgn. ‘erfgenamen’ als Marco Pastors, Geert Wilders, Ronald Sørensen en Rita Verdonk. Verder zat hij graag in zijn onderbroek aan de bar in homo-leathercafe Shaft in Rotterdam, meende hij dat een rood verkeerslicht niet voor hem gold; noemde hij zich graag professor, ook toen hij dit al lang niet meer was, en had hij zijn naam van ‘Fortuin’ veranderd in het sjiekere ‘Fortuyn’.

Bron: Eurodusnie website, mei 2007