Inspraakreactie nieuwe APV

Inspraakreactie van Eurodusnie, naar aanleiding van een reactie van het college op mijn eerdere ingediende bedenkingen op het concept-raadsvoorstel modernisering APV.

Leiden, 22 januari 2007.

Geachte Commissie,

Ik wil hierbij graag van de gelegenheid gebruik maken commentaar de leveren op de reactie van het College op de bedenkingen ten aanzien van de nieuwe APV die ik namens het Eurodusnie collectief in een schriftelijke inspraakreactie heb verwoord. Ik zal dat in een wat snel tempo doen, aangezien mijn tijd beperkt is.

In de eerste plaats wil ik de algemene opmerking plaatsen dat ik het merkwaardig vind dat over deze modernisering van de APV zo weinig publieke discussie is geweest – zeker als je het vergelijkt met de discussie over de Rijn-Gouwe Lijn of de winkelsluitingswet – terwijl deze modernisering van de APV van grote invloed kan zijn op bepaalde burgerlijke vrijheden. Ook vind ik het merkwaardig dat notabene een ‘links’ College een modernisering van een APV wil doorvoeren, die op enkele punten een verslechtering betekent.

In de eerste plaats het punt samenscholen. Mijn bedenking was dat het begrip samenscholing niet gedefinieerd was in de APV. In haar commentaar stelt het College dat het begrip samenscholing afdoende is geformuleerd in het Wetboek van Strafrecht en het dus niet nodig is dit te doen in de APV. Dit is naar mijn mening niet het geval (art. 186 WvS: “Hij de opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie”). Het College geeft aan in haar reactie dat enkel samenscholingen met wanordelijkheden verboden zijn. Dat is een heldere mening, en er is dan volgens mij ook niets op tegen om deze voorwaarde – het zich voordoen van wanordelijkheden – in de nieuwe APV te vermelden, dat bevordert de duidelijkheid, ook voor de burger.

Over het aanmelden van betogingen. Ik had in mijn bezwaar gewezen op de Wet Openbare Manifestaties. Volgens deze wet is de Burgemeester bij niet-aangemelde demonstraties verplicht te onderzoeken of de demonstratie toch doorgang kan vinden. Zolang de gezondheid niet in gevaar gebracht wordt, het verkeer niet gehinderd wordt en er geen wanordelijkheden dreigen, moet de Burgemeester zo’n niet aangemelde betoging wettelijk gezien toestaan. In haar reactie stelt het College dat dit in de APV is ondervangen, aangezien in art 2.1.2.3 wordt vermeld dat de burgemeester ook een mondelinge kennisgeving, korter dan 48 uur, in behandeling kan nemen. Volgens de wet openbare manifesfaties is zelfs zo’n mondelinge kennisgeving echter niet strict nodig, zolang de gezondheid niet in gevaar gebracht wordt, het verkeer niet gehinderd wordt en er geen wanordelijkheden dreigen. Ik blijf daarom van mening dat het toestaan van niet- (schriftelijk danwel monderling) aangemelde betogingen mogelijk moet worden gemaakt in de nieuwe APV, onder deze voorwaarden.

Dan het punt van de demonstratie van één persoon. Ik ken persoonlijk mensen die zijn aangehouden omdat ze aan het demonstreren waren in hun eentje, zonder daarbij enige wanordelijkheid te veroorzaken, dus kennelijk is het voor de autoriteiten vaak niet duidelijk dat één persoon nooit een demonstratie kan vormen. Om die reden lijkt het me toch wenselijk dat in het betreffende artikel wordt opgenomen dat een demonstratie meerdere personen betreft, en dat één protesterend persoon nooit een als een demonstratie kan worden aangemerkt. Dat kost slecht een paar extra woorden in de APV en bevordert de duidelijkheid.

Over het verspreiden van drukwerk. Ik had het volgende bezwaar ingediend: “Wij maken bezwaar tegen het feit dat niet gespecificeerd is hoe het “aanwijzen van wegen of gedeelten daarvan” door het College voor een verbod voor het verspreiden van geschreven stukken e.d. in zijn werk gaat. Het moet duidelijk zijn hoe deze “aanwijzing” plaatsvindt, waar deze bekend wordt gemaakt en op welke termijn deze van kracht kan worden.” Het college stelt in een reactie dat deze aanwijzing zal plaatsvinden door middel van een afzonderlijk collegebesluit. Deze toelichting vind ik onduidelijk. Is het nu zo dat het verspreiden van drukwerk altijd is toegestaan, tenzij het College hierover een afzonderlijk besluit neemt? Indien deze interpretatie juist is lijkt me dat zo’n besluit enkel betrekking kan hebben op het verspreiden van drukwerk voor commerciële- of handelsdoeleinden.

Dan had ik bezwaar gemaakt tegen het niet toestaan van het gebruik van krijt op de openbare weg of op een onroerende zaak. Het College stelt in een reactie dat ook met een krijtje er ontsierende, beledigende of anderszins ongewenste afbeeldingen en dergelijke zijn te maken. Ik wil hierbij opmerken dat het gebruik van krijt volgens mij los staat van een eventueel beledigende boodschap. Als dit laatste onomstotelijk het geval is heeft de politie andere wetsartikelen voorhanden om de krijttekening te laten verwijderen of tegen de maker ervan op te treden. Daarbij is het trouwens onduidelijk wat belediging precies is, zie de affaire vorig jaar rond de spandoeken gericht tegen Minister Verdonk. Die vonden sommige mensen beledigend, maar de rechter oordeelde uiteindelijk dat het hier ging om vrijheid van meningsuiting en niet om belediging. Om deze reden vind ik de reactie van het College niet overtuigend, en blijf ik bij het bezwaar tegen het verbieden van krijten op de openbare weg, temeer daar dit geen schade aanbrengt, eenvoudig weg te halen is of door een regenbuitje verdwijnt.

Mijn bezwaar tegen lid 2.4.2 lid 3 vervalt, aangezien dit lid in de laatste versie van de APV is geschrapt.

In het kader van het tegengaan van plakken en kladden, in het bijzonder het plakken van posters, wil ik toch nog opmerken, ook als hint richting de gemeenteraad, dat het illegaal plakken naar mijn mening wordt bevorderd door een tekort aan openbare aanplakplaatsen, en het onvoldoende toezien door de Gemeente op commercieel aanplakwerk.

Dan de aanwijzing door de Burgemeester van “veiligheidsrisicogebieden”, waar bijvoorbeeld preventief gefouileerd kan worden. Het college stelt dat deze bevoegdheod voortvloeit uit artikel 151b van de Gemeentewet en dus niet gewijzigd kan worden. De Gemeenteraad kan echter wel beslissen dit APV-artikel te wijzigen, en wel op zo’n manier dat de Raad beslist over de instelling van een veiligheidsrisiscogebied, en niet de Burgemeester, en dit onder strenge voorwaarden. Dan moet deze wijziging later ook nog maar in de Gemeentewet worden doorgevoerd.

Tot slot het cameratoezicht. Het College stelt dat er allerlei randvoorwaarden bestaan die garanderen dat de privacy van burgers is gewaarborgd. Ik blijf principieel van mening dat het door de overheid maken van opnames van burgers op de openbare weg in alle omstandigheden ontoelaatbaar is in het kader van privacy en burgerrechten. De praktijk van het cameratoezicht in Nederland is er een waarbij een glijdende schaal is te zien: in steeds meer gevallen en op steeds meer locaties doemen er camera’s op, nu ook in veel treinen van de NS. Hier moet paal en perk aan worden gesteld: cameratoezicht moet niet mogelijk zijn op de openbare weg.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s


%d bloggers liken dit: