Archive for maart, 2006

De media en de Franse protesten

maart 28, 2006

Dinsdag 28 maart lijkt het voorlopige hoogtepunt te worden van het massale Franse verzet tegen de arbeidswet voor jongeren, het CPE. Het is opvallend hoe negatief, en soms zelfs verbitterd, er in een deel van de Nederlandse media over de Franse protesten wordt geschreven. In veel berichtgeving wordt het ‘conservatieve karakter’ van de protesten benadrukt, en krijgt met name de Franse jeugd allerlei negatieve eigenschappen in de schoenen geschoven. Wat zit hier achter?

Met name De Volkskrant doet haar best geen spaan heel te laten van de Franse protesten. Maandag publiceerde de krant een groot artikel van Fokke Obbema, waarin verschillende buitenlandse studenten aan het woord komen, die bijna stuk voor stuk bijzonder negatief zijn over het politieke verzet tegen de arbeidswet. Onder de kop “Franse studenten? Ambtenaren in spe” krijgen de zuurpruimen alle kans hun kritiek te spuien over wat er de afgelopen weken aan verzet te zien is in Frankrijk. De demonstraties zijn gewelddadig, de jongeren hebben een “egoïstische instelling” en zijn “vervuld van angst voor de toekomst”. Hoewel enkele van de geciteerde studenten het politiek bewustzijn van de Franse jongeren waarderen, heeft dit volgens hen toch een negatief karakter: de studenten zouden enkel uit zijn op “zekerheid die niet meer bestaat”, hebben een ‘mentaliteitsprobleem’, etcetera.

Op zaterdag pakte dezelfde krant ook flink uit over de protesten in Frankrijk. In een nieuwsartikel over het vastgelopen overleg tussen de bonden en de Franse regering krijgt de visie van de Franse politie alle ruimte: “De relschoppers bestaan volgens de politie behalve uit banlieu-jongeren (synoniem voor gewelddadige chaoten, het ergste van het ergste – dv) ook uit extreemlinkse en extreemrechtse lieden, ‘die met elkaar gemeen hebben dat ze de openbare orde willen verstoren’ ” Elders, op de Forumpagina, openen twee Volkskrant-commentatoren, Nausicaa Marbe en Oscar van den Boogaard, frontaal de aanval op de jongerenprotesten. Voor Marbe is het duidelijk: de studenten “ogen niet sympathiek”, “de haat druipt uit hun ogen”, sterker nog, “ze stralen agressie en machtsbelustheid uit”. Uiteraard getuigen de protesten van “conservatief gedrag”; de jongeren die voor hun belangen opkomen “willen betutteld worden”. En zo gaat het nog een tijdje door. Oscar van den Boogaard denkt er al niet veel beter over; ook hij vindt de protesten “conservatief van aard” en kenmerkt ze als weliswaar begrijpelijk, maar vooral toch als een “pathetische strijd om behoud van vermeende (! -dv) rechten”. “Ze verlangen naar een beschermde wereld”.

NRC Handelsblad laat zich ook niet onbetuigd. Vorige week liet de krant de student Brieuc Benezet aan het woord, die de protesten ook allemaal maar niets vindt. Bijna een pagina lang klaagt hij over de “door en door verwende Franse jeugd”, die “weigert de werkelijkheid onder ogen te zien”. De studenten zijn volgens hem behoudend, hij spreekt over “vroeggepensioneerde jongeren”, egoïstisch, ‘verwende kinderen’. Het behoudende karkter van de protesten werd die week ook in het programma NOVA benadrukt, waarin gegrapt werd over jongeren ‘die op hun 24e al een hypotheek willen’. Het conservatieve karakter van de protesten werd in de uitzending zelfs in een breder kader getrokken: “mensen zijn tegenwoordig van alles bang” werd gesteld, en een deskundige legde uit dat het leek op het ‘nee’ tegen de Europese grondwet: ook al een teken van bangigheid om de toekomst tegemoet te zien. Verschillende actualiteitenrubrieken voerden oud- ‘achtenzestigers’ op, zoals Daniel Cohn-Bendit, die meewarig filosofeerden over de ‘angst voor verandering en onzekerheid bij jongeren’, dit uiteraard in tegenstelling tot mei 1968, toen alles veel beter was.

Natuurlijk is niet alle berichtgeving in de Nederlandse media negatief over de protesten in Frankrijk, en niemand zal natuurlijk verwachten dat de media deze protesten enkel met gejuich ontvangen. Toch valt het op in hoeveel opiniërende artikelen het politieke verzet een conservatief etiket krijgt opgedrukt. Wat zou hier de achtergrond van zijn? Het lijkt er op alsof veel journalisten de logica van rechtse politici hebben overgenomen, waarbij de strijd voor eerlijke arbeidsvoorwaarden vooral als een soort achterhoedegevecht wordt gezien; een conservatieve reactie van mensen die nog niet doorhebben dat flexibilisering, sanering van sociale regelingen en soepelere ontslagwetgeving vanzelfsprekend zijn geworden in het ‘tijdperk van globalisering’.

Het is in feite dezelfde redenering waarbij het protest tegen de Europese Dienstenrichtlijn en de ‘nee’ stem tegen de Europese Grondwet als een reactionaire stuiptrekking werd beschouwd. De ‘globalisering’ wordt hierbij aangevoerd als een natuurlijk en onvermijdelijk fenomeen waardoor sociale strijd als vanzelf in een conservatieve hoek wordt gedrukt. Al die miljoenen mensen die strijden voor fatsoenlijke arbeidsrechten en die niets moesten hebben van de Europese Grondwet en de Dienstenrichtlijn, hebben in feite nog niet door dat ze een hopeloos achterhoedegevecht voeren; ze leven in het verleden en begrijpen de eisen en omstandigheden van de moderne tijd nog niet. Dit is de logica waarmee rechtse politici al vele jaren hun saneringsprogramma’s proberen door te drukken.

Wat daarnaast meespeelt is de tot vervelens toe gemaakte vergelijking met het historische eikpunt ‘mei 1968’, toen het verzet zoveel puurder, idealistischer en positiever was, volgens velen. Daar, zo lees je tegenwoordig vaak letterlijk of tussen de regels door, kunnen de huidige activisten natuurlijk niet tegenop boksen. De vergelijking met deze periode gaat echter grotendeels mank; de maatschappelijke omstandigheden en krachtsverhoudingen zijn tegenwoordig wezenlijk anders dan in die tijd. Het geeft daarom geen pas de huidige protesten tegenover die van mei ’68 te positioneren als negatief en behoudend.

De strijd voor rechtvaardige arbeidsomstandigheden en een solidair sociaal beleid is, weliswaar op een hele andere manier, net zo relevant als de protesten van mei ’68. De huidige protesten neerzetten als een door de globalisering achterhaalde conservatieve reflex is een politieke keuze, en geen vanzelfsprekende logica.

Eerder verschenen op de website van Eurodusnie

Balkenende’s neoliberale missie

maart 25, 2006

De Europese ‘lentetop’ van regeringsleiders ging hoofdzakelijk over economische thema’s. Balkenende liet hier weer zijn ultraliberale gezicht zien: in weerwil van recente massaprotesten tegen de ‘Bolkesteinrichtlijn’ en het als gevolg hiervan afzwakken van de richtlijn door het Europarlement, probeerde hij toch een meer liberale versie van het omstreden dienstenakkoord door te drukken. Het is hem niet gelukt.

De Dienstenrichtlijn, opgesteld door ex-eurocommissaris Frits Bolkestein, heeft tot doel zoveel mogelijk belemmeringen voor grensoverschrijdende dienstverlening in Europa weg te nemen. In de originele versie van de richtlijn was het omstreden ‘oorsprongslandbeginsel’ opgenomen. Hierdoor zouden dienstverlenende bedrijven enkel gebonden zijn aan de wet- en regelgeving in de lidstaat waar hun ‘hoofdzetel’ gevestigd is. Tegenstanders van dit beginsel stelden dat hierdoor milieuwetgeving en sociale regelgeving van lidstaten werd ondermijnd, en dat bedrijven hun hoofdkantoren zouden gaan vestigen in lidstaten met de meest liberale wetgeving. Hierdoor zou op het terrein van milieuwetgeving en sociale wetgeving een ‘race naar de bodem’ kunnen ontstaan.

Onder druk van vakbonden, sociaaldemocratische partijen en linkse organisaties werd de Dienstenrichtlijn al voordat deze in stemming kwam in het Europarlement grotendeels ‘uitgekleed’. In maart sneuvelde ook nog het oorsprongslandbeginsel. Het Europarlement nam een sterk afgezwakte Dienstenrichtlijn aan.

Balkenende weigert zich hier echter bij neer te leggen. Tijdens de afgelopen top van regeringsleiders in Brussel heeft hij geprobeerd een deel van de geschrapte onderdelen uit de Dienstenrichtlijn terug in de tekst te krijgen. De meeste lidstaten vonden het echter te ver gaan om de richtlijn weer op te lappen, en zo de protesten te negeren en het Europarlement te omzeilen. Nederlandse diplomaten, aldus de Financial Times, werden ‘effectief geïsoleerd’. En zo bleef dus, tot teleurstelling van Balkenende, de compromistekst overeind. Toch probeerde onze premier er nog een soort overwinninkje uit te slepen: “De Commissie komt in april met haar nieuwe voorstel dat grotendeels gebaseerd zal zijn op de conclusies van het europarlement”, concludeerde Balkenende; “maar zij zal ook onze overwegingen meenemen”.

Ook Tony Blair is er van overtuigd dat de neoliberale versie van de Dienstenrichtlijn het uiteindelijk wel zal halen: “We kunnen weer een stap verder zetten als mensen constateren dat er door de dienstenrichtlijn geen banen verloren gaan, maar juist nieuwe banen bijkomen”, verklaarde hij na afloop van de top.

Balkenende’s pogingen de Dienstenrichtlijn via een achterdeur weer op te lappen tonen nogmaals aan dat hij zich niets aantrekt van maatschappelijke protesten tegen de neoliberale koers van de EU of van de invloed van het Europarlement. Ook het gegeven dat een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking niets moet weten van liberaliseringen lapt hij aan zijn laars. Als een blinde gelovige in de neoliberale Europese heilstaat zet hij zijn missie voort.

Er was trouwens nog een grappig incident aan de vooravond van de top in Brussel: de Franse president Chirac liep kwaad weg tijdens een gesprek bij de Europese werkgeversorganisatie Unice. De voorzitter van deze organisatie sprak de Europese leiders namelijk in het Engels toe, en niet in het Frans. Nationalisme heeft af en toe toch wel geestige trekjes.

Eerder verschenen op de website van Eurodusnie

Lux Voor luidt de noodklok

maart 19, 2006

Een nieuwe lente, een nieuwe denktank. Dat zullen al die twintigers en dertigers gedacht hebben die dit weekend in De Volkskrant een nieuwe beweging lanceerden onder de wervende naam Lux Voor. Deze splinternieuwe, dynamische, volledig uit jongeren bestaande (dus dan moet het wel goed zijn) denktank staat klaar om Nederland uit het slop te trekken. Nederland sukkelt namelijk achteruit, menen de denktankers, en daarom moet de noodklok worden geluid! Dringende maatregelen die worden voorgesteld: het ‘hervormen’ van de verzorgingsstaat, iedereen langer laten werken en het openbaar bestuur slagvaardiger maken. Verdomd, waar hebben we dat eerder gehoord.

Lux Voor is een doorbraakbeweging – zo noemen ze zichzelf werkelijk – die bestaat uit twintigers en dertigers uit PvdA, CDA, Groenlinks, D’66 en de VVD. Een bont gezelschap, zou je denken: hoe kan het dat mensen afkomstig uit al die verschillende politieke richtingen zich vinden in één toekomstvisie? Nou, dat kan omdat ‘links’ en ‘rechts’ niet meer bestaan volgens Lux Voor; dat zijn namelijk ouderwetse termen die getuigen van hokjesgeest. De jongeren van Lux Voor – allemaal academici trouwens, opvallend veel beleidsmakers – staan hierboven, en richten zich “op een toekomst met meer beschaving, vrijheid en welvaart”. Daar kan niemand op tegen zijn! De positieve instelling straalt van de halve Volkskrantpagina af: Lux Voor wil ons een toekomst invoeren “waar de burgers trots zijn op hun moderne en welvarende land; een land met een sterk besef dat iedereen het beste uit zichzelf moet halen om Nederland mee te laten draaien in de top van de mondialisering”.

Het artikel in De Volkskrant staat vol met dit soort ronkende zinnen (“we delen het vurige geloof in vooruitgang”, en dergelijke), maar als je kijkt naar wat er nu concreet wordt voorgesteld, dan valt het toch wat tegen. De belangrijkste verandering waar Lux Voor mee komt, is het ‘hervormen’ van de verzorgingsstaat, die volgens de denktankers geheel uit de klauwen is gegroeid en niet meer te betalen is. Dit is een visie die al sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw wordt rondgetoeterd door rechtse politici. Toen mocht je dat nog gewoon rechts noemen, dat is het verschil. Maar goed, die verzorgingsstaat moet van Lux Voor dus omgevormd worden in een ‘ontplooiingsstaat’. Dit moet, vanwege de vergrijzing en de voortwoekerende globalisering. Ouderen moeten langer werken, mensen moeten minder makkelijk een uitkering krijgen, sowieso moet iedereen langer en harder werken, de economie moet “véél flexibeler” worden en vooral jongeren moeten dynamischer gemaakt worden: “inactieve jongeren zijn slecht voor de samenleving”, dus die moeten desnoods met de zweep de arbeidsmarkt opgedreven worden. Het kan aan mij liggen, maar wordt deze visie niet al jarenlang tot in den treure uitgedragen door elke minister in het kabinet Balkenende?

Ook is er een opvallende parallel met de recente politieke boodschap van het Centraal Planbureau. Het CPB is een ongekozen ambtenarenclub, maar niemand schijnt het een probleem te vinden als deze organisatie, naast het maken van sommetjes, regelmatig een hele reeks politieke beleidsvoorstellen doet, zoals in de afgelopen week. Iedereen moet méér gaan werken, ouderen moeten langer blijven werken, en er moet steviger worden ingegrepen in de sociale zekerheid, want dat is de afgelopen jaren onvoldoende gebeurd. Het CPB voert vooral de vergrijzing op als reden waarom deze maatregelen nodig zouden zijn, terwijl Lux Voor daarnaast de globalisering, die “als een donderwolk aan de horizon hangt”, aanvoert als aanleiding voor ‘hervormingen’ van het sociale stelsel en de noodzaak tot langer werken. Deze visie leeft ook in het bedrijfsleven, zoals bij Philips in Nijmegen: werknemers in fabrieken voor computerchips moeten daar langer gaan werken voor hetzelfde loon, omdat anders de concurrentie met China niet volgehouden kan worden. Globalisering als excuus voor kostenbesparingen.

Net als het concept van de ‘ontplooiingsstaat’ is ook de rest van het programma van Lux Voor van een slaapverwekkende voorspelbaarheid, en staat het vol met D’66 achtige platitudes en open deuren: de kenniseconomie moet gestimuleerd worden, de kinderopvang beter geregeld, er moet meer geld naar onderwijs, het openbaar bestuur moet slagvaardiger worden (“het kernwoord is dynamiek”), en verdomd, ze willen een gekozen minister-president. Er zijn nauwelijks politici te vinden die hier de afgelopen decennia niet voor gepleit hebben. Lux Voor ziet zichzelf als een baanbrekend nieuwe beweging die Nederland wakker gaat schudden; haar komst is als “de tewaterlating van een nieuw schip”. Mij lijkt het meer beschimmelde oude wijn in nieuwe zakken. Maar oordeel vooral zelf, ze hebben een flitsende website, een brainstormdag op 8 april, en ergens in juni organiseren ze een evenement dat ze “Partycipation” noemen. Alleen al vanwege deze term zal ik daar niet aanwezig zijn. Dan maar niet dynamisch.

Eerder verschenen op de website van Eurodusnie

Wat moeten we met Europa?

maart 15, 2006

Vorig jaar juni stemde een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking tegen de Europese Grondwet, terwijl alle regeringspartijen een felle campagne vóór dit document hadden gevoerd. Sindsdien heerst bij het kabinet Balkenende totale radeloosheid over de vraag hoe Nederland zich moet opstellen in de Europese Unie. Doet men iets verkeerds, zo denkt men in het kabinet, dan eindigt de volgende verkiezingsuitslag voor Balkenende net zoals het Grondwet-referendum. De oplossing die de regering heeft bedacht: een website.

Aanvankelijk was het de bedoeling dat na het referendum-debacle er een “Brede Maatschappelijke Discussie” zou worden opgezet, met bijeenkomsten in het land, waarbij onder leiding van deskundigen de burgers hun zegje zouden mogen doen over de toekomst van Nederland in de Europese Unie. Dit idee bleek al snel onhaalbaar, omdat geen enkele partij buiten de SP hier echt zin in had. Daarom besloot de regering zelf maar “in discussie te gaan” met de bevolking. Maar hoe doe je zoiets? Bijna iedereen beschouwt ‘Europa’ als een dodelijk saai onderwerp; bovendien heeft iedereen zijn of haar eigen mening, dus voordat je het weet verzandt zo’n idee in zinloos en oeverloos geleuter. Dan maar een leuke website de lucht in gooien, dacht men bij het kabinet.

Een of ander adviesbureau kreeg een flinke zak geld om de website “Nederland in Europa” in elkaar te prutsen. “Bijna een jaar geleden is de Grondwet afgewezen”, valt te lezen in de inleiding. “De vraag is nu: hoe moeten we verder?” Vriendelijke woorden, die de ideeënarmoede, besluiteloosheid en angst voor de komende verkiezingen bij het kabinet moeten verbergen. Men weet in Den Haag gewoon niet meer hoe men met het onderwerp “Europese Unie” moet omgaan. Wel of geen uitbreiding? Wel of niet Turkije erbij? Dwars gaan liggen in begrotingsonderhandelingen of meewerken? Braaf meewerken aan nieuwe Europese wetgeving, of stoer verkondigen dat er minder regels moeten komen? “De burger”, wie dat dan ook is, mag het zeggen, aan de hand van een reeks vragen en stellingen die vooral te maken hebben met de uitbreiding, justitiesamenwerking, economische samenwerking en asielbeleid. Opvallend is het aantal vragen dat over Turkije gaat, met nogal vooringenomen stellingen als “Turkije mag niet toetreden tot de EU, want het is een land met een lage welvaart, dat bij de EU wil horen omdat daar geld te halen valt” en “Turkije mag niet toetreden tot de EU want het is een islamitisch land, terwijl de huidige EU gevormd wordt door landen met een joods-christelijke en humanistische traditie.” Heeft Geert Wilders soms persoonlijk deze stellingen verzonnen?

Veel vragen en stellingen zijn ook nauwelijks te beantwoorden, omdat ze te simpel zijn opgesteld, of uitgaan van een situatie die sowieso al discutabel is. Wat moet ik met een vraag als “Bent u voor meer of minder samenwerking met andere EU-lidstaten op het gebied van asielbeleid?” Dat ligt er maar aan wat het karakter is van dat beleid. Als dat erop is gericht zoveel mogelijk asielzoekers uit de EU te weren, zoals nu het geval, dan maar liever zo min mogelijk samenwerking. Als die samenwerking erop gericht zou zijn meer vluchtelingen beter op te vangen, dan ben ik wel voor. Maar die vraag wordt dan weer niet gesteld. “Bent u een voorstander van meer of minder economische samenwerking met andere EU-landen?” luidt een andere vraag. Tsja, wat voor soort samenwerking? Ik ben op zich niet tegen het op elkaar afstemmen van bepaalde economische regelgeving, maar als die samenwerking inhoudt dat werknemers tegen elkaar worden uitgespeeld ten gunste van het bedrijfsleven- zoals bij de Dienstenrichtlijn – dan heb ik juist liever minder samenwerking. Dus dan vul ik maar weer “neutraal” in.

Een website als “Nederland in Europa” is een zinloze exercitie. Jan en alleman gaat er van alles op invullen; het resultaat is een betekenisloze brij aan meningen en opmerkingen waar niemand een touw aan vast zal kunnen knopen. Je moet er niet aan denken dat de resultaten hiervan gebruikt gaan worden om beleid op te baseren, dat zou het totale failliet zijn van de Haagse en Europese politiek. Toch meent het adviesbureau dat de website heeft opgesteld dat “het eindrapport een representatief beeld geeft van de mening van Nederlanders over de toekomst van Nederland in Europa”. Wie dat gelooft, is niet goed bij zijn hoofd.

Eerder verschenen op de website van Eurodusnie

Hofstadproces

maart 13, 2006

Het actief verspreiden van haatzaaiend materiaal met ‘gewelddadig gedachtengoed’, het organiseren van bijeenkomsten waar dit bediscussieerd wordt en het spreken op dergelijke bijeenkomsten heeft afgelopen afgelopen vrijdag voor vijf leden van de ‘Hofstadgroep’ gevangenisstraffen opgeleverd van één tot twee jaar. De Hofstadgroep bestaat echt, oordeelde de rechter, had terroristische doelen en was van plan terroristische misdrijven te plegen. Een paar andere ‘leden’ van de groep kregen veel hogere straffen, omdat bij hen ook poging tot moord en wapenbezit werd meegerekend.

De rechter heeft een onderscheid gemaakt tussen al dan niet actieve ‘deelnemingshandelingen’ aan de nu officieel tot ‘terreurorganisatie’ gebombardeerde groep. Bezoek je enkel een bijeenkomst van zo’n groep, of lees je in de trein een pamflet van Mohammed B., of bezit je een USB stick met ‘jihadistische teksten’, dan ben je niet strafbaar. Hoogstens kun je dan gezien worden als een ‘passief lid’ van een terreurorganisatie.

De kritiek op de uitspraak van de rechter spitst zich toe op drie zaken. De verdediging vindt dat enkele verklaringen onterecht door de rechter zijn gebruikt als bewijs. Het gaat dan onder andere om de getuigenis van Marika C., de vrouw van de tot vijf jaar veroordeelde Nouredine el F. (van het beruchte ‘doorgeladen’ machinegeweer), en die van Jamal B., die wist waar Mohammed B. zijn pistool en fiets vandaan had. Ook het als bewijs gebruiken door de rechter van omstreden AIVD-afluistertapes oogste kritiek. Principiëler is de kritiek op het onderscheid dat gemaakt is tussen ‘passief’ en ‘actief’ deelnemen aan een terroristische organisatie. Het bezoeken van een bijeenkomst van een als ‘terroristisch’ te bestempelen groep is niet strafbaar, er een toespraak houden wel. In je auto meezingen met jihad-liederen vol bedreigingen en haatzaaierij is toegestaan, maar als je ze in de vorm van mp3’tjes rond gaat sturen draai je ineens twee jaar de bak in. De grens tussen wat ‘passief’ en ‘actief’ deelnemen precies is, lijkt wel erg vaag.

Kritiek die hierop aansluit kwam onder andere van Ayaan Hirsi Ali, die meent dat met name de veroordeling van Mohammed Fahmi B. onterecht is. Fahmi B. is enkel veroordeeld voor het ‘verspreiden van radicaal gedachtengoed’. Volgens Hirsi Ali – die trouwens met de overige delen van het vonnis dik tevreden was – en anderen zou dit juist onder de veelbesproken ‘vrijheid van meningsuiting’ moeten vallen, ook al wordt er opgeroepen tot moord op ongelovigen.

Hirsi Ali heeft hierin gelijk. De rechter acht niet bewezen dat de ‘Hofstadgroep’ of leden ervan concrete moorden of aanslagen aan het voorbereiden waren – de rechter concludeerde slechts dat er in het algemeen sprake was van “bedreigen met moord met een terroristisch oogmerk”. Hoe ernstig dit ook is, het is maar de vraag of het verspreiden van ‘haatzaaiend gedachtengoed’, zonder dat bewezen wordt geacht dat dit gericht is tegen specifieke personen, veroordeeld moet worden met een vrij zware gevangenisstraf.

Weinig mensen zullen bestrijden dat de kliek die bekend staat als de ‘Hofstadgroep’ weinig goeds van plan was. In allerlei geschriften van deze naargeestige club wordt opgeroepen tot het uitmoorden van ongelovigen, en ongetwijfeld waren de fanatiekelingen van deze groep ook wel bereid om hier zelf mee aan de slag te gaan. Zolang een rechter echter niet kan bewijzen dat iemand, samen met een groep of niet, concreet een gebouw wil opblazen of een persoon wil ombrengen, is het onterecht dat iemand veroordeeld wordt. Volgens de nieuwe Wet terroristische misdrijven is dit echter wel mogelijk, omdat in deze wet dreigen in het algemeen met moord ‘met een terroristisch oogmerk’ strafbaar is: “samenspanning met als doel terroristische misdrijven te plegen”.

Omdat deze wet nu eenmaal bestaat, en de veroordelingen binnen de grenzen van deze nieuwe wetgeving lijken te vallen, zal een hoger beroep van de veroordeelden weinig kans maken. Het is trouwens nog niet duidelijk of alle veroordeelden wel hoger beroep zullen aantekenen: zij verwerpen immers de westerse rechtsstaat. Dat laatste is nog wel toegestaan in Nederland.

Eerder verschenen op de website van Eurodusnie