Weg met het “hervormingsverdrag”!

juni 11, 2008

Het nieuws dreigt in al het voetbal-geweld ten onder te gaan, maar is daarom niet minder belangrijk: morgen beslist de Ierse bevolking middels een referendum over de Europese Grondwet – jawel, het verdrag dat als gevolg van referenda in 2005 in Frankrijk en Nederland naar de prullenbak werd verwezen. Het nieuwe verdrag is vrijwel identiek aan het oude, en moet daarom ook verworpen worden.

De tekst van het nieuwe verdrag wordt nu niet meer gepresenteerd als een grondwet, maar als een “hervormingsverdrag”. Dit verdrag werd in december vorig jaar getekend in Lissabon en wordt daarom ook wel het Verdrag van Lissabon genoemd (klik hier voor een pdf van de laatste versie). Het Verdrag wordt vanuit de Europese Unie uiteraard van harte ondersteund, en vrijwel alle grote politieke partijen, vakbondsorganisaties en werkgeversorganisaties in Europa – ook in Ierland – staan er vierkant achter. Ten opzichte van de beruchte Europese Grondwet zijn er wat oppervlakkige wijzigingen aangebracht. Alle terminologie die verwijst naar een grondwet is geschrapt. Het eindresultaat bevat echter geen wezenlijke veranderingen, iets wat ook is erkend door de hoofdauteur van de oorspronkelijke grondwet, oud-politicus Giscard d’Estaing, die zelfs aangaf dat op deze manier de grondwet “makkelijker door het volk geslikt zal worden” (1).

Het laatste referendum

Het is de bedoeling dat het nieuwe verdrag in de zomer van 2009 geratificeerd wordt door de nationale parlementen. Er is één probleempje: alle regeringsleiders van de lidstaten hebben weliswaar het groene licht gegeven voor het nieuwe verdrag, maar in Ierland zijn ze zo ‘onverstandig’ om, geheel tegen de EU-traditie in, de bevolking goedkeuring voor het verdrag te vragen. Het lijkt wel op democratie! De Nederlandse regering had hier, nadat de bevolking in 2006 ‘verkeerd’ had gekozen, geen zin meer in, en besloot wijselijk dat een referendum deze keer niet nodig was. Ook de Partij van de Arbeid, die eerst nog dapper had beloofd dat er een nieuw referendum zou komen, draaide met Balkenende mee en vond een nieuwe volksraadpleging overbodig. Naar verluidt dreigde Balkenende zelfs het kabinet op te blazen als er toch een referendum over het document zou worden georganiseerd. Bij dit alles is het geestig te vermelden dat een van de hoofddoelstellingen van het nieuwe verdrag is “de democratische legitimiteit van de Unie te versterken” (pagina 5 Verdrag van Lissabon).

Overigens bleef veel protest tegen het niet-doorgaan van een nieuw referendum in Nederland uit. Een opvallende partij-coalitie van SP, D66, PVV, PvdD en Groenlinks probeerde vorige week middels een initiatiefwet alsnog een referendum af te dwingen. Een meerderheid van de Tweede Kamer, op hand van de regering, verwierp het voorstel, waardoor een referendum in Nederland definitief van de baan is. Een eerdere petitie en een publieksactie van het “samenwerkingsverband ander Europa” slaagde er evenmin in een nieuw referendum af te dwingen. Het niet doorgaan van een nieuw referendum is een aanfluiting, aangezien zoals vermeld de nieuwe tekst niet wezenlijk verschilt van de oude. Sterker nog, het “nee” van 2006 is in feite nu nog steeds geldig, want heeft betrekking op vrijwel dezelfde tekst.

Het is belangrijk dat het “hervormingsverdrag” alsnog verworpen wordt, en het Ierse referendum lijkt hiertoe de laatste kans te bieden. Wat was er ook al weer zo bezwaarlijk aan die Grondwet, en dus aan het “hervormingsverdrag”?

Oude wijn, nieuwe zak

De militaire paragraaf van de nieuwe tekst, waar destijds veel kritiek op kwam, is vrijwel ongewijzigd gebleven. Nog steeds verplichten ondertekenende landen zich ertoe “hun militaire vermogens geleidelijk aan te verbeteren” en gebiedt het verdrag mee te werken aan de oprichting van een “Europees defensie-agentschap”, dat onder meer tot doel heeft “de industriële en technologische basis van de defensiesector te versterken”. Kortom , wie het “hervormingsverdrag” tekent, verplicht zich ertoe meer te investeren in wapens, wapentechnologie verder te ontwikkelen en de Europese wapenindustrie te ondersteunen.

Het hele verdrag ademt een sterk neoliberaal gedachtengoed. Op bijna elke bladzijde valt te lezen dat de economische groei moet worden opgevoerd, dat het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven moet worden versterkt, de consumptie moet worden gestimuleerd, de arbeidsproductiviteit omhoog moet, de ontwikkelling van nieuwe producten en technologieën moet worden ondersteund. Het is de grijsgedraaide plaat van het neoliberalisme die we al dertig jaar van onze regeringen krijgen voorgeschoteld. Het verdrag “verzekert dat de mededinging niet wordt verstoord”, valt te lezen in protocol zes, waarmee in feite hetzelfde wordt gezegd als in de oude tekst, die vastlegde dat de mededinging “vrij en onvervalst” moest zijn. De vrije markteconomie wordt dus verplichtend opgelegd aan alle lidstaten.

Voor de goede orde wordt hier en daar in het hervormingsverdrag de term ‘duurzaam’ genoemd, maar veel inhoudelijke aandacht wordt aan deze term niet besteed. Daarentegen wordt de “strategie van Lissabon”, die acht jaar geleden werd gelanceerd om van de Europese Unie “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld” te maken, in het verdrag uitdrukkelijk genoemd en bevestigd als de te volgen economische lijn. Uiteraard moet dit gepaard gaan met “modernisering” (lees: afbraak) van de sociale zekerheidsstelsels, want die werken immers enkel maar beperkend op de groei van de arbeidsparticipatie en -productiviteit.

Ook andere kritiekpunten op het ‘oude’ verdrag zijn nog steeds volkomen valide. In het landbouwbeleid blijft milieu ondergeschikt aan de productiviteit. De Europese Commissie blijft een ondemocratisch instituut, en het Europees Parlement blijft over grote delen van het beleid geen snars te vertellen hebben. De macht van de Europese minister van Buitenlandse Zaken – die in het nieuwe verdrag “Hoge vertegenwoordiger” heet, blijft onverantwoord groot. En de invloed van de burger blijft over het algemeen miniem, wat trouwens ook al blijkt uit het feit dat in veel lidstaten er zelfs geen poging is geweest een referendum over de Grondwet te organiseren.

Neoliberalisme

Een stem vóór het Europees ‘hervormingsverdrag’ is ook een stem vóór het neoliberalisme, want dit is en blijft de leidende ideologie van het Europese project.

Europese instellingen als het Europees Hof bevestigen keer op keer de neoliberale ideologie van Europa. Twee voorbeelden: in april van dit jaar ontzegde het Europees Hof lidstaten de mogelijkheid om een minimum-loon niveau te eisen voor buitenlandse werknemers. Een in Duitsland actieve Poolse onderaannemer had landgenoten voor de helft van het minimumloon laten werken. Volgens het Europees Hof toegestaan, want in overeenstemming met het “vrije verkeer van diensten”. De deur staat daarmee wagenwijd open voor het financieel tegen elkaar uitspelen van werknemers uit verschillende lidstaten. Iets eerder dit jaar besloot het Europees Hof (in de zogenaamde Vaxholm-zaak) dat het vakbonden niet is toegestaan te staken tegen dit soort praktijken, omdat daarmee de heilige marktwerking verstoord zou worden.

Ook het internationale economische beleid van de Unie wordt door het ‘hervormingsverdrag’ volledig bevestigd. Dit beleid – onlangs door de Europese Commissie in een nieuw jasje gestoken als het ‘global Europe’- concept – dwingt arme landen hun markten te openen voor het Europese bedrijfsleven, waardoor kleine boeren kapotgaan of ophouden met het produceren van voedselproducten voor de lokale markt. Met sociale rechtvaardigheid of duurzame ontwikkeling heeft dit beleid weinig te maken: het gaat erom vrijhandelsverdragen met arme landen af te dwingen, zodat Europese exportproducten zonder belemmeringen overal afgezet kunnen worden, en Europese bedrijven ter plekke de ‘vrije’ concurrentie aan kunnen gaan met het minder krachtige bedrijfsleven van armere landen.

Zand in de machine

Nu is neoliberalisme natuurlijk geen uitvinding van ‘Brussel’. Het is niet juist de Europese Unie an sich de volledige schuld te geven van dit rechtse beleid, en een verwerping van het ‘hervormingsverdrag’ zal niet meteen helpen om dit beleid om te gooien. Ook is het ongetwijfeld zo dat de weerstand van de Ieren tegen het “Verdrag van Lissabon” slechts gedeeltelijk te maken heeft met bovengenoemde bezwaren, en behoudende of nationalistische bezwaren een grote rol spelen.

Maar het is zaak om zoveel mogelijk spaken in het wiel te steken, zoveel mogelijk zand te gooien in de machine die dit neoliberale beleid ontwikkelt en tracht te rechtvaardigen. Zolang de Europese Unie een doorgeefluik is van door lidstaten ontwikkeld rechts beleid, en dit beleid enkel versterkt en verspreidt, is het zaak de werking van het Europese project zoveel mogelijk te saboteren. Een verwerping van het “hervormingsverdrag” door de Ieren zou daarom een enorme opsteker zijn.

(1) Aangehaald door Willem Bos van de Stichting ander Europa in een artikel waarin hij het ‘nieuwe’ verdrag analyseert. Dit is te vinden op internet in een pdf file: http://www.wijwillenreferendum.eu/file/34

Advertenties

Afspraak is afspraak!

april 1, 2008

Vanavond was er een uitstekend bezochte manifestatie op het Stadhuisplein voor het behoud van Vrijplaats Koppenhinksteeg in Leiden. De aanleiding was een recent ‘voornemen’ van het Leidse college van B & W, waarin het, ondanks vele toezeggingen en beloftes in het recente verleden, de legalisering van de Vrijplaats afblaast.

Over het Stadhuisplein waren waslijnen gespannen, waar een deel van de meer dan duizend protestbrieven, die door sympathisanten van de Vrijplaats in de afgelopen twee weken aan het college waren gestuurd, aan waren opgehangen. Enkele mensen hielden een praatje, waaronder een medewerker van de Vrijplaats. Hieronder de tekst.

Beste vrijplaatsvrienden,

Ik werk bij Eurodusnie, een van de organisaties in Vrijplaats Koppenhinksteeg. Die Vrijplaats bestaat al behoorlijk lang – de geschiedenis gaat terug tot eind jaren zestig. Nu heb ik die tijd natuurlijk niet meegemaakt, maar ik werk al wel behoorlijk lang in mijn vrije tijd voor de Vrijplaats. Ben begonnen bij Boekhandel Manifest, die op de plek zat waar nu de Linkse Kerk zit. Dat was begin jaren negentig. In die tijd waren er ook al gemeentelijke plannen om de Vrijplaats te ontruimen voor appartementen en winkels, en was er trouwens ook een plan van de gebruikers om de Vrijplaats legaal te maken. Dat plan heette toen “Pand in eigen Hand”. Van dat laatste plan is toen niets terecht gekomen, en van de nieuwbouwplannen destijds van de gemeente gelukkig ook niet.

Aan het begin van deze eeuw lanceerde de gemeente Leiden opnieuw plannen om de Vrijplaats te ontruimen en plaats te laten maken voor onder andere koopappartementen. De Vrijplaatsorganisaties begonnen met een flinke lobby om deze plannen te dwarsbomen, maar kwamen ook met een alternatief: de panden zouden verkocht kunnen worden aan een woningbouwvereniging – Ons Doel – die de panden aan de buitenkant zou kunnen opknappen. De Vrijplaatsorganisaties zouden dan de binnenkant voor hun rekening nemen, en de ruimtes tegen een sociale huur gaan huren van deze woningbouwvereniging.

Jaren lang wilde de gemeente Leiden niets horen van dit zogenaamde cascohuur-voorstel. Door de Vrijplaats werd op allerlei manieren actie gevoerd om sluiting van de Vrijplaats te voorkomen. Er waren juridische procedures, acties op straat, demonstraties, handtekeningenacties, en Leidenaars dienden massaal zienswijzen in om het gemeentebestuur op andere gedachten te brengen. Dat wilde maar niet echt lukken. De gemeente kwam alleen met een piepklein alternatief, waar de Weggeefwinkel en de Fabel van de Illegaal in gehuisvest zouden kunnen worden – het zgn. kabouter-pandje. Interessant is dat in het laatste collegevoorstel ook weer sprake is van zo’n gedeeltelijk alternatief.

In juni 2005 kwam er ineens een omslag. Toenmalig wethouder Hillebrand besloot plotsklaps dat hij toch wel waardering kon opbrengen voor de Vrijplaats, en stelde voor de hele steeg te gaan legaliseren. Het besluit werd overgenomen door vrijwel de gehele gemeenteraad. Uiteraard heerste er toen een juichstemming in de Koppenhinksteeg – jarenlange politieke actie en gelobby leken toch hun effect te hebben gehad.

Eindelijk gaf de gemeente er blijk van de grote waardering voor de Vrijplaats – niet alleen in Leiden, maar ook tot ver daarbuiten – te erkennen. Ik heb er nu niet zo’n zin in uitgebreid stil te staan bij het nut en de functie van de verschillende onderdelen van de Vrijplaats. Van de zeer verschillende activiteiten van de Vrijplaats wordt door ontzettend veel mensen in Leiden gebruik gemaakt en de waardering voor de Vrijplaats – zo blijkt ook uit het feit dat in korte tijd meer dan 1000 mensen een protestbrief naar de gemeente hebben gestuurd – is enorm.

Sinds 2005 vorderde het legaliseringsproces gestaag, maar toch wel erg langzaam. Pas in april 2007 werd door het toenmalige zogenaamde ‘Linkse college’ de Notitie Legalisering Vrijplaats Koppenhinksteeg uitgebracht, waarin onder meer te lezen viel:

“Het behoud van de Vrijplaats Koppenhinksteeg is gewaarborgd, met dien verstande dat na een zorgvuldig proces van afweging wordt besloten wel te legaliseren: Eurodusnie, Stichting Ontmoetingsruimte de Linkse Kerk, de Fabel van de Illegaal en sportschool Hong Ying. Bar en Boos wordt onder condities gelegaliseerd.”

De enige voorwaarden die aan implementatie van het besluit worden gesteld is dat de gebruikers moesten gaan voldoen aan alle wettelijke eisen en noodzakelijke vergunningen. Bar en Boos moest een bedrijfsplan maken. Aan al deze voorwaarden werd voldaan, dus feitelijk gezien kon de legalisering niet meer misgaan.

In december 2007 nam het nieuwe college, waarin de SP moest plaatsmaken voor de VVD, de legalisering op in haar programma. En of het nu aan de VVD ligt of niet: al ontstonden er problemen. Enkele weken geleden kwamen de eerste geluiden naar buiten dat het college niet zo’n zin meer had in legalisering, en vorige week werd dit bekend gemaakt in een besluit, waarin men de raad voorstelt te stoppen met het legaliseringsproces. Het probleem, zo zegt het college nu, is geld. Men beweert dat er een gat is van drie ton. Anderen schatten dit tekort aanmerkelijk lager in.

Nu is drie ton natuurlijk een hoop geld, maar voor grote bouwprojecten ook weer geen kolossaal groot bedrag. Zeker niet als je bedenkt dat aan de oude, vervallen panden in de Koppenhinksteeg al zo’n dertig jaar nauwelijks onderhoud is gepleegd door de eigenaar, de gemeente Leiden dus. Wie nalaat oude panden te renoveren, ziet zich uiteindelijk geconfronteerd met steeds grotere opknapkosten. Voor het nieuwe college is deze waarheid een reden om het legaliseringsplan helemaal te willen afblazen.

Maar hier kan natuurlijk geen sprake van zijn. Drie ton kan geen reden zijn om een sociaal-culturele vrijplaats, die al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw bestaat, de nek om, te draaien. Er zijn jarenlang door de gemeente keiharde toezeggingen gedaan over de legalisering van de Vrijplaats. Het is zoals de Vrijplaats al eerder schreef in een brief aan de gemeente: “Het kan niet zo zijn dat het college het al dan niet slagen van de onderhandelingen met Ons Doel gebruikt als excuus om de met ons gemaakte afspraken en de aan ons gedane toezeggingen terug te draaien. Een dergelijk besluit zou getuigen van onbehoorlijk bestuur.”

Waar het nu in feite om gaat is of de politieke partijen, die de legalisering altijd gesteund hebben – ik noem dan met name de PvdA en Groenlinks – een rechte rug tonen, en zich houden aan alle toezeggingen die in de afgelopen jaren gedaan zijn. Na de goedkeuring van het legaliseringsproces door de gemeente hebben de vrijplaatsorganisaties enorme investeringen gedaan in hun panden om de boel van binnen op te knappen, om nog maar te zwijgen van de hoveelheid werd die erin gestoken is. Het is absurd om een proces dat al zover gevorderd is alsnog de nek om te draaien – de contracten met Ons Doel stonden nota bene op het punt getekend te worden.

Van de VVD hebben we weinig te verwachten. Die zijn altijd tegen de Vrijplaats geweest, en hebben wat dat betreft altijd een consequente positie ingenomen. Maar wat betreft Groenlinks en met name de PvdA is het de vraag – wat vindt men belangrijker, drie ton, of een al bijna veertig jaar lang bestaande vrijplaats? Het coalitiebelang, of het nakomen van afspraken en toezeggingen over de legalisering? Dure koopappartementen, of vier vrijwilligersorganisaties die al jaren aan de weg timmeren in Leiden?

Ik roep de collegepartijen, en met name dus de daarnet genoemde, op een beetje lef te tonen, risico te nemen en samen met ons en de woningbouwvereniging alsnog op zoek te gaan naar een oplossing voor deze kwestie. Kies niet voor de veilige, saaie weg van nog meer koopappartementen en winkels die er ongetwijfeld zullen komen als de Vrijplaats verdwijnt in de Koppenhinksteeg. Toon een beetje durf, en maak de stad niet saaier, want dat is helemaal niet nodig.

Graag citeer ik uit een artikel van de filosoof Peter Venmans, die afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad een stuk publiceerde met als titel “Ordening en chaos in de stad”.

“In hoofdstuk drie van On Liberty (1859) heeft de liberale denker John Stuart Mill al overtuigend laten zien dat wij allemaal gebaat zijn bij het behoud van verscheidenheid. Een individu kan zich pas echt ontwikkelen tot een volwaardige persoon als hij zichzelf kan confronteren met andere individuen, andere levensstijlen, andere manieren van tegen de werkelijkheid aankijken. (..) De stad is de plaats waar die confrontatie plaatsvindt, waar iedereen zijn eigen gang gaat en zich meet aan anderen, en waar de samenleving op een informele manier met zichzelf experimenteert.(..) Beleidsmakers zingen weliswaar de lof van de verscheidenheid, want men houdt wel van wat kleur op straat, maar dan alleen zolang het binnen de perken van de onschuldige idylle blijft. Men wil de lusten zonder het risico”

Misschien kunnen de heren en dames politici, die zo onder andere over de Vrijplaats gaan vergaderen, hier eens bij stilstaan. Dure appartementen en winkels komen en gaan, maar een eenmal verdwenen Vrijplaats, zoals die in de Koppenhinksteeg, komt eenmaal ontruimd, nooit meer terug.

Eerder verschenen op de Eurodusnie website

Op de Dam tegen Wilders

maart 19, 2008

Zaterdag sleep ik me dan toch maar naar de “Nederland bekent Kleur” manifestatie op de Dam in Amsterdam. Met enige tegenzin, inderdaad. Opnieuw zullen de uiterst dunne ideeën van de meester-provocateur uit Venlo een dag lang in de schijnwerpers staan. Wilders’ medestanders verheugen zich nu al op zijn commentaar dat de media ’s avonds zullen melden – wat zal het deze keer zijn, “schandelijk”, “gevaarlijk” of “ronduit walgelijk”?

Officieel is de Nederland bekent Kleur-bijeenkomst van zaterdag een “Manifestatie tegen discriminatie en vóór solidariteit”, maar in werkelijkheid wordt het natuurlijk gewoon een anti-Wilders manifestatie. Mohammed Rabbae, die het publiek op de Dam zaterdag ongetwijfeld zal bedienen van een vlammend betoog, geeft dit vandaag in de krant ook toe: “We spelen geen kiekeboe met elkaar. Wilders is de aanvoerder van het racisme.” Wilders als de grote boeman, waar iedereen, van Ad Visser tot Jan Pronk, Youp van ’t Hek tot Foppe de Haan, zaterdag tegen te hoop gaat lopen.

Discriminatie

Wilders is natuurlijk niet de aanvoerder van het racisme in Nederland. Veel van Wilders’ ideeën en uitspraken zijn ronduit discriminerend, maar Wilders is uiteindelijk slechts de leider van een middelgrote oppositiepartij die redelijk goed in de peilingen staat. Hij ontwikkelt geen beleid – dit gebeurt door de regering en de Europese Unie, en dit beleid is voor een deel discriminerend en racistisch. Neem bijvoorbeeld een plannetje dat vandaag door het CDA werd gelanceerd: werkloze Antillianen mogen Nederland niet meer in. Heb je een baan, dan mag het wel. Pure discriminatie. De Europese Unie wil slechts nog succesvolle, goedopgeleide migranten binnenhalen. De rest moet desnoods met geweld worden geweerd of uitgezet. Tot ‘illegaal’ verklaarde mensen worden in drijvende bajesboten gepropt, ook al zijn ze ‘technisch’ niet te deporteren. Misdadig beleid. Wie in Nederland niet veel geld verdient, of geen vast arbeidscontract heeft, mag geen partner uit het buitenland laten overkomen. Anderen wel. Dat is discriminatie.

Allemaal voorbeelden van standaard kabinetsbeleid waar Wilders het vast en zeker mee eens zal zijn. Maar hij heeft het niet bedacht, dit beleid is ontwikkeld en wordt nog steeds uitgevoerd door de collega’s van onder andere Ed Nijpels en Ed van Thijn, die zaterdag ook ‘genoeg is genoeg’ gaan roepen op de Dam. Het zou toch wel aardig zijn als iemand het publiek daarop zou wijzen.

Alle publiciteit is goede publiciteit?

Je kunt je verder afvragen in hoeverre de manifestatie van zaterdag nu bedreigend zal zijn voor de positie van Wilders. Sprekers zullen alle anti-Wilders argumenten die de laatste maanden tot vervelens toe in de media zijn herhaald nog eens aan de verzamelde meute voorleggen. De medestanders van Wilders zijn daar sowieso niet aanwezig, en zullen de manifestatie zien als het zoveelste bewijs van de schandelijke demonisering van hun grote leider door de ‘linkse kerk’. ’s Avonds zal Wilders ongetwijfeld trots op TV komen melden dat hij naar aanleiding van de manifestatie opnieuw scheldkannonades heeft ontvangen in zijn mailbox, zodat hij zich wederom kan wentelen in de rol van bedreigd voorvechter van het vrije woord. Van een “‘omslagpunt’ in het politieke klimaat in Nederland”, dat René Danen graag in de manifestatie ziet, zal geen sprake zijn.

Het is zelfs niet uit te sluiten dat alle aandacht voor Wilders in bepaalde kringen enkel bijdraagt aan zijn populariteit. Opiniepeilingen als de ‘politieke barometer‘ – hoe wantrouwend je hierover ook moet zijn – laten zien dat gedurende de afgelopen maanden, waarin Wilders vrijwel constant in het nieuws is geweest, de aanhang van de PVV gestaag is toegenomen. De aandacht voor Wilders lijkt de afgelopen weken een eigen dynamiek te hebben gekregen; hij hoeft er in feite zelf weinig meer voor te doen. Afgelopen maandag plaatste mediaproducent Harry de Winter een advertentie op de voorpagina van de Volkskrant, met een tekst waarin gesteld werd dat antisemitisme in Nederland onacceptabel is, terwijl Wilders’ hetze tegen moslims onbestraft blijft. Hij herhaalde hier een opvatting die Henk Kamp twee maanden eerder al over Wilders had geplaatst: “Ik vind een opmerking van Wilders: ‘er komt geen moslim meer het land in’ gelijk aan ‘er gaat geen jood meer het land uit”.

Het betrekken van antisemitisme bij de discussie over Wilders is echter onnodig en maakt de discussie over zijn ideeën alleen maar onduidelijker. Wilders – Bert Wagendorp merkte het vandaag in de Volkskrant al op – heeft het niet over joden, maar over moslims. Het aanvallen van Wilders op punten die weinig te maken hebben met zijn feitelijke standpunten – zoals de antisemitisme vergelijking, hem simpelweg te kijk zetten als ‘extremist’, en de oeverloze non-discussie over zijn film – houdt hem enkel in de media, en levert hem dus alleen maar meer aandacht en waarschijnlijk meer stemmen op. Vandaar ook dat Wilders het moment van de uitzending van de film zo lang mogelijk uitstelt.

Islam

Inhoudelijk zal er op de Dam ongetwijfeld veel worden gesproken over de discriminerende ideeën van Wilders over moslims, en terecht: veel van de uitspraken van Wilders zijn zonder meer discriminerend van karakter, iets wat zelfs werd aangegeven door de VVD’er Henk Kamp in een uitzending van Pauw en Witteman in februari. Wilders heeft inmiddels een indrukwekkende rij hatelijke opmerkingen over migranten, en in het bijzonder moslims op zijn conto staan. Bij het Openbaar Ministerie liggen al verschillende klachten wegens discriminatie te wachten op behandeling.

Een moeilijker punt wordt de ‘islamofobie’ van Wilders. Wilders heeft zoals bekend een enorme afkeer van de islam, en gebruikt daarbij graag krachttermen als ‘fascistisch gedachtengoed’, de islam als ‘het kwaad zelf’, Mohammed als een ‘enge duivel’ en dergelijke. De man draait volledig door in zijn afkeer van de islam, maar op zich is dat toegestaan. Sterker nog: ook een linkse manifestatie tegen Wilders zou ruimte moeten bieden aan kritiek op islamitisch fundamentalisme, juist om duidelijk te maken waar precies het onderscheid ligt tussen Wilders’ eenzijdige kritiek op de islam in het algemeen en noodzakelijke kritiek op het radicale islamisme, dat door links – net als fascisme en extreemrechts – dient te worden veroordeeld en bestreden.

Maar of hier veel ruimte voor zal zijn tijdens de anti-Wilders manifestatie van zaterdag is de vraag. Op de website van Nederland bekent Kleur is hier in ieder geval geen woord over te vinden. Is dit omdat men de manifestatie graag zo ‘breed’ mogelijk wil houden, zodat men zoveel mogelijk mensen binnen de boot kan houden?

Appa

Afgezien van deze kanttekeningen zal ik toch richting de hoofdstad trekken om deel te nemen aan de manifestatie. Behalve het feit dat een manifestatie rond anti-racisme-dag in rechtse tijden nooit overbodig is, verdient de hetze van Wilders en consorten tegen moslims een duidelijk weerwoord in het openbaar.

Bovendien ben ik wel benieuwd naar het optreden van Appa, toch een van de beste Nederlandse rappers van het moment. Ik probeer me voor te stellen hoe het er zaterdag aan toe zal gaan, achter de podiumtent van Nederland bekent Kleur, voorafgaand aan zijn optreden. René Danen: “Beetje rustig aan hè Appa, ga niet op het podium roepen dat Wilders voor jou is! Daar krijgen we anders grote problemen mee..” Appa: “Wat nou man, is dit een anti-Wilders demo of niet? Schijt aan die Wilders!” Danen: “Ja, maar we mogen niet demoniseren. Dan krijgen we last met de overheid.” Appa: “Okay man, dan zing ik wel schijt aan de overheid!!”

 Op vrijdag 21 maart is er in de Marinus van der Lubbe-zaal een debat over de ideeën van Wilders. Aanvang: 20:30.

Gepubliceerd op de website van Eurodusnie.

Christelijk reveil?

februari 21, 2008

Terwijl velen zich druk maken om de vermeende ‘islamisering’ van Nederland, worden we nu al bijna een jaar geregeerd door een kabinet met twee christelijke partijen. Premier Balkenende liet ons afgelopen zondag weten dat hij zonder christelijk geloof niet kan functioneren. Is dat erg?

Vorige week trad Jan Peter Balkenende op in “Hour of Power“, een christelijk-evangelisch programma uit Californië, dat gepresenteerd wordt door de in de VS immens populaire TV-dominee Robert Schuller. De Nederlandse uitzendingen van het programma worden verzorgd door de steevast hemels glimlachende ex-EO coryfee Jan van den Bosch, naast TV-presentator actief als touroperator en eigenaar van diverse vakantieparken. Balkenende werd niet als privé-persoon, maar uitdrukkelijk als premier geïnterviewd, in het Catshuis.

Op de vraag van Van den Bosch wat voor de premier ‘fundamenteel’ is, antwoordde deze: “fundamenteel is mijn eigen geloof, omdat je zonder het geloof niet kunt functioneren”. Balkenende legde uit dat het christendom zijn inspiratiebron is voor zijn visie op politiek en waarden, en verklaarde zich te beschouwen als een ‘kind van God’. Dit kwam hem op nogal wat kritiek te staan. Wim de Bie noemde het optreden van de premier op zijn website een “onomwonden propagandapraatje ten behoeve van het Christendom.” Een weblog dat zich “de stem van politiek incorrect links” noemt startte een internet-actie tegen de premier vanwege diens uitspraken. Jeroen Dijsselbloem van de PvdA wil Balkenende aan de tand gaan voelen over de vraag of ‘het kabinet wellicht een voorkeur heeft voor gelovigen’.

Met twee christelijke partijen in het kabinet is het natuurlijk onvermijdelijk dat er af en toe wat christelijke geluiden naar buiten komen. Minister Rouvoet van de Christenunie sprak onlangs de wens uit dat vrouwen eerder kinderen moeten nemen, en dat het nemen van meer kinderen de voorkeur heeft. Het is een gegeven dat dit kabinet warme aandacht heeft voor het gezin en inmiddels al een reeks maatregelen heeft genomen ten voordele van gezinnen – bijvoorbeeld de verbeterde kinderopvang, een ‘kindgebonden budget’ en gratis schoolboeken. Dit kabinet hecht sterk aan het christelijke idee van het gezin als hoeksteen van de samenleving, en heeft daarom ook als eerste kabinet in Nederland een minister voor gezinszaken.

Een ander punt waarop het christelijke karakter van dit kabinet steeds duidelijker naar voren springt is de abortuskwestie. De relatief liberale abortuswetgeving in Nederland is veel christenen een doorn in het oog, maar ze weten dat het tornen aan het recht op abortus maatschappelijk gevoelig ligt. Daarom moet het voorzichtig gebeuren: bijvoorbeeld door vrouwen eerst vijf dagen te laten ‘nadenken’ bij een overtijdsbehandeling, het instellen van een werkgroep die “alternatieven voor abortus” moet onderzoeken, en het aanstellen van de anti-abortus organisatie VBOK in deze werkgroep. En vorige week, tijdens een kamerdebat over medisch-ethische kwesties, stelde het CDA de termijn voor abortus ter discussie.

Er zijn nog wat andere discussies en beleidspunten van dit kabinet aan te wijzen die verband houden met het christelijke karakter van dit kabinet – de heisa rond de komende televisieuitzending van de pornofilm ‘Deep Throat’, het gedeeltelijk terugdringen van de zondagopenstelling van winkels, en, kort na het aantreden van het kabinet, de steun aan homofobe ‘weigerambtenaren’.

Het (mede) baseren van politiek beleid op christelijke ideeën is een ergerlijke zaak, en de verontwaardiging die hierover ontstaat is terecht. Nederland kent miljoenen ongelovigen, die het zich maar moeten laten aanleunen dat hun premier zijn politieke beleid laat inspireren door een religie die hen weinig zegt. De vele alleenstaanden in dit land kunnen het wel op hun buik schrijven ooit door dit kabinet tot ‘hoeksteen’ te worden gepromoveerd, en vrouwenorganisaties moeten met lede ogen toezien hoe er steeds meer geknabbeld wordt aan het recht op abortus. Met een premier die zonder het christendom niet kan functioneren, en een minister (en vice-premier) van gezinszaken die altijd fel tegen de legalisering van abortus is geweest, blijft waakzaamheid geboden.

Maar is het christelijke karakter van het inmiddels een jaar functionerende Balkenende IV nu het meest verontrustende kenmerk van dit kabinet? De verontwaardiging over de ‘christelijk-morele agenda’ wordt vaak wel erg stevig aangezet – alsof in Den Haag inmiddels “God op het pluche” zou zitten, de titel van een Vrij Nederland-debat van vorig jaar.

Neem nou het optreden van Balkenende in “Hour of Power”. Prima zaak dat Dijsselbloem binnenkort een puntje gaat scoren door de premier te ondervragen over diens ideeën over de scheiding van kerk en staat, maar zo dramatisch was het nu ook weer niet wat Balkenende in deze uitzending allemaal te berde bracht. Het gezellig voortkabbelende gesprek kende geen hoogtepunten en bestond voornamelijk uit een gezapige aaneenschakeling van stichtende woorden over naastenliefde, vrijwilligerswerk en mantelzorg, en natuurlijk de bekende Balkenpraat over “hoe gaan we met elkaar om”, “toekomstbestendig maken van het land” etcetera. Het eerder genoemde weblog van ‘Willem de Zwijger’ meende tegenover Jan van den Bosch de “Erdogan van de lage landen” te herkennen: een totaal belachelijke inschatting, al was het alleen maar omdat Erdogans opmerkingen in Duitsland voornamelijk nationalistisch van karakter waren.

It’s the economy, stupid!

En dan de oproep van Rouvoet aan gezinnen om vroeger en meer kinderen te verwekken: in de eerste plaats is het geen zaak van politici zich te bemoeien met de beslissing van vrouwen of en hoeveel kinderen ze op de wereld brengen. Een christelijke component èn een nationalistische component is hier ongetwijfeld aanwezig. Rouvoet gaf echter aan deze oproep vooral te doen in het kader van het opvangen van de gevolgen van de vergrijzing. In enkele omringende landen wordt inmiddels een actief ‘meer kinderen’ beleid gevoerd – inclusief premies voor moeders die kinderen baren – zonder dat hier sprake is van overwegend christelijke kabinetten. Of deze maatregelen ook zinnig zijn om de vergrijzingsproblematiek mee te lijf te gaan, en hoe serieus dit probleem überhaupt is, is een andere vraag, maar Rouvoets uitspraken zijn in de eerste plaats gebaseerd op economische, niet op christelijke motieven. De arbeidsmarkt moet goed gevuld blijven voor het bedrijfsleven, en Rouvoet stimuleert liever het nationale geboortecijfer dan het immigratiecijfer.

Deze overwegend economische motieven blijken ook uit de vanuit regeringshoek steeds vaker geuite wens dat Nederlanders, en zeker vrouwen, langer en meer moeten werken. Ook hier spelen economische argumenten als groei en het bekostigen van voorzieningen een hoofdrol. “Om te voorkomen dat de economische groei op lange termijn stagneert, moeten Nederlandse werknemers langer gaan werken” schreef economisch topambtenaar Chris Buijink eind vorig jaar in het blad ESB. Het ergert hem dat Nederland “wereldkampioen deeltijdwerken” is, en daarvan zijn vooral vrouwen de ‘schuldige’ – de reden waarom het kabinet de “Taskforce Deeltijdplus” heeft ingesteld. De emancipatienota van Minister Plasterk heeft onder meer tot doel de arbeidsparticipatie van vrouwen te vergroten – opnieuw om de kosten van de vergrijzing te kunnen dragen. En die verbeterde kinderopvang: een belangrijk argument voor de regering om deze gratis te maken is het stimuleren van (hogere) arbeidsparticipatie van vrouwen.

Dat is de achtergrond van het ‘christelijke’ gezinsbeleid van dit kabinet: het veilig stellen van de hoeveelheid werknemers in de toekomst, zodat de economische groei op peil blijft. Het kabinet loopt hiermee keurig in de pas met de adviezen die door het Centraal Planbureau en de OESO worden gegeven, en onderscheidt zich aldus maar weinig van het beleid van vorige regeringen. Dit geldt in grote lijnen ook voor het sociale beleid, het buitenlands beleid en het immigratiebeleid.

De christelijke geluiden van het kabinet Balkenende IV zijn vaak ergerniswekkend, soms verontrustend, maar het is zaak ons hier niet op blind te staren. Wat overheerst is de continuïteit. Ook voor deze overwegend christelijke regering zijn burgers in de eerste plaats arbeidspotentieel, dat door langer en meer te werken de economische groei moet blijven opstuwen: eigenlijk hetzelfde wat al decennia lang gebeurt, ook in zoveel andere landen.

Gepubliceerd op de Eurodusnie website

De calculerende zorgconsument

februari 14, 2008

Tot voor een paar jaar geleden waren mensen voor ziektes en letsel verplicht verzekerd bij het ziekenfonds. Mensen met meer dan een behoorlijk inkomen waren particulier verzekerd, en betaalden wat meer. Sinds een paar jaar is de markt losgelaten op het zorgstelsel en is iedereen ‘zorgconsument’. Nu wordt er vanuit de branche geklaagd: “De calculerende burger is de ziektenkostenverzekering binnengemarcheerd.”

In tegenstelling tot de vroegere ziekenfondspatiënt of particulier verzekerde, wordt de moderne zorgconsument geacht zich jaarlijks als prijs- en keuzebewuste klant een weg te banen door het woud van zorgverzekeraars, op zoek naar het optimale pakket. Vooral tegen het einde van het jaar, als de nieuwe polissen moeten worden afgesloten, wordt de zorgconsument bestookt met aanbiedingen van zorgbedrijven, die hem of haar het beste pakket willen aansmeren. Te midden van dit geweld moet de zorgconsument de juiste keuze maken inzake allerlei kwesties: door welk bedrijf laat ik me verzekeren? Kies ik een aanvullende verzekering, en zo ja welke? Neem ik een extra tandartsverzekering? Op welk bedrag zet ik mijn eigen risico, of koop ik dit af met een extra verzekering? Zijn er nog kortingsmogelijkheden?

Het nieuwe zorgstelsel heeft volgens de website zorgkiezer.nl als voornaamste doel “het kostenbewustzijn van u, als consument, te vergroten en u te stimuleren de beste zorgverzekering voor u zelf af te sluiten tegen een scherpe premie”. In het begin was de burger nog wat onwennig met het nieuwe systeem. Voorheen werd het verzekerd zijn als vanzelfsprekend beschouwd; nu moesten er ineens allerlei lastige keuzes gemaakt worden. Maar gelukkig, de burger heeft zich aangepast en is nu getransformeerd in de moderne zorgconsument.

De profiterende zorgconsument

Dat de burger zich inmiddels goed heeft aangepast aan het door Hans Hoogervorst ingevoerde stelsel valt te lezen in het onlangs in het Financieele Dagblad verschenen artikel “Nieuwe zorgconsument verrast verzekeraar”. De hele ‘bedrijfstak’ van zorgverzekeraars heeft in toenemende mate te kampen met de calculerende zorgconsument, die een hoop geld betaalt voor zijn verzekering, en daar het optimale van terugverwacht. Uit het FD-artikel: “Mensen zijn in 2005 massaal aan het vergelijken geslagen. Velen kwamen tot de ontdekking dat hun polis mogelijkheden bood waar ze geen weet van hadden.”

Het heeft wel iets geestigs: zorgverzekeraars besteden bakken met geld aan reclame voor hun eigen bedrijf, met de bedoeling klanten te behouden of af te snoepen van andere zorgverzekeraars. Nog vóórdat het nieuwe zorgstelsel van kracht werd, in de jaren 2004-2005, werden de premies flink verhoogd, enkel om in 2006 de reclamecampagnes te kunnen financieren. Zorgpakketten worden sinds 2006 op dezelfde manier aangeprezen als nieuwe auto’s: de consument wordt verleid met aantrekkelijke kortingen, handige gadgets, gratis controlebeurten, en dergelijke. Maar nu slaat de vermarkting van de zorg op de sector zelf terug: de vroegere ziekenfondspatiënt is calculerend burger geworden, en maakt te goed gebruik van zijn of haar (aanvullende) polis. Een extra bril, een extra bezoekje aan een alternatieve therapeut: we hebben ervoor betaald, het staat in de polis, dus waarom niet? Sommige zorgverzekeraars raken zelfs in de financiële problemen door de profiterende zorgconsument. Erno Kleijnenberg van verzekeraar ONVZ: “Het is een probleem dat in de hele bedrijfstak speelt. Het probleem van een heel uitgebreide consumptie van zorg door de verzekerden”.

Boontje komt om zijn loontje. Door de vermarkting van de zorg verandert ook de houding van mensen. Als mensen niet meer in de eerste plaats als patiënt, maar als consument worden behandeld, gaan ze zich hier ook naar gedragen, en worden ze calculerende zorgconsumenten. De calculerende burger, een term die vaak in negatieve zin gebruikt wordt, wordt gecreëerd door de staat, die steeds meer delen van de samenleving aan de markt overlaat.

Lagere prijzen, goedkopere pillen

Zorgverzekeraars gaan echter met de tijd mee, en hebben nu een strategie ontdekt om het uitbundig profiteren van hun polis door zorgconsumenten aan banden te leggen, maar tegelijkertijd deze burger te blijven verleiden: de selectieve zorginkoop. Dat werkt zo: steeds meer zorgverzekeraars sluiten enkel nog contracten af met apothekers, fysiotherapeuten en ziekenhuizen die tegen messcherpe prijzen hun waren en diensten aanbieden. Een voorbeeld hiervan is de Zekur-polis van Univé. Zorgconsumenten betalen hiervoor een lage premie, maar zijn voor medische behandeling slechts welkom in 13 ziekenhuizen in het land, en kunnen voor medicijnen enkel terecht bij speciale internet-apotheken, die de goedkoopste merken verkopen.

Voorstanders van deze ontwikkelingen wijzen op de grotere keuzevrijheid die de consument krijgt, en de efficiencyverbetering die bereikt zou worden. Tegenstanders vrezen dat met deze ontwikkelingen een tweedeling in de zorg dichterbij komt: in de toekomst zullen mensen met weinig geld aangewezen zijn op de goedkoopste zorgpakketten, die slechts toegang bieden tot bepaalde ziekenhuizen met de soberste voorzieningen, en waarmee bepaalde (duurdere) medicijnen niet vergoed worden. Erno Kleijnenberg van ONVZ: “De belangrijkste drijfveer bij selectieve zorginkoop is het naar beneden brengen van de prijzen van ziekenhuizen en artsen. (…) Het gevolg zal zijn dat de zorg schraler en kariger wordt. Zorg is een kwetsbare tak van sport.”

Gepubliceerd op de website van Eurodusnie

Humanitaire missie

januari 31, 2008

Twee Nederlandse advocaten deden afgelopen maandag aangifte tegen de Nederlandse militaire top wegens mogelijke schending van het oorlogsrecht in Afghanistan. Al twee dagen later kwam het antwoord van het Openbaar Ministerie: klacht ongegrond, de aangifte wordt niet in behandeling genomen.

In de aanklacht, ingediend door de advocaten Nico Steijnen en Meindert Stelling, wordt onder meer verwezen naar de gevechtshandelingen in de Uruzgan-enclave Chora in juni van 2007. In Chora is hard gevochten; de gevechtshandelingen hier worden beschouwd als de zwaarste waar Nederlanders bij betrokken zijn geweest sinds de Korea-oorlog. Eén van de gevechtshandelingen waarbij disproportioneel geweld tegen burgers zou zijn gebruikt betreft het bombardement op Qal ‘eh-ye Ragh. Dit dorpje van een paar honderd inwoners, waar zich Taliban-strijders zouden hebben verscholen, werd vanuit het op 30 kilometer afstand liggende Kamp Holland 24 uur lang met granaten bestookt door Nederlandse pantserhouwitzers. “Daarna is er een serie vliegtuigen overheen gegaan”, aldus journalist Arnold Karskens afgelopen dinsdag in het programma Pauw en Witteman.

Karskens interviewde verschillende overlevenden van het bombardement, die onder meer het volgende verklaarden: “Onder de slachtoffers waren kinderen, vrouwen en bejaarden en mijn zoon”. (…) “Van mijn familie zijn 11 mensen omgekomen en 40 gewond geraakt. Vier mensen hebben het overleefd, ik mijn broer en twee ooms.” (…) “Sommige lijken hadden geen hoofd, handen of benen. Iedereen was geraakt.”

Dan McNeill, commandant van de Navo-troepenmacht in Afghanistan, meent net als de Nederlandse advocaten Steijnen en Stelling dat het hier gebruikte geweld disproportioneel was. Hij noemde het zelfs “in strijd met het oorlogsrecht”. Nederlandse militairen zouden onvoldoende rekening hebben gehouden met mogelijke burgerslachtoffers. Ook president Karzai refereerde hieraan toen hij de actie veroordeelde: „Je opent niet het vuur op dertig kilometer afstand van het doel. Daarmee maak je vrijwel zeker slachtoffers onder de burgerbevolking.”

Dit blijken er in totaal zo’n 70 te zijn geweest. Bewoners van Qal ‘eh-ye Ragh waren niet geïnformeerd over het komende bombardement, in tegendeel – volgens Karskens hadden ze van ISAF zelfs het advies gekregen binnen te blijven tijdens gevechtshandelingen. Veel mensen hebben zich hieraan gehouden, en werden bedolven onder de kleien muren van hun woning.

Naast de kwestie Qal ‘eh-ye Ragh is er een ander voorval waarbij disproportioneel veel geweld zou zijn gebruikt, namelijk de bombardementen van 25 september 2007 op het dorpje Kakrak in het district Deh Rawod. Dit plaatsje werd vanuit de lucht gebombardeerd, ter ondersteuning van Afghaanse en Amerikaanse troepen die bezig zouden zijn geweest met het voorkomen van executies door Taliban in het dorp. Bij onderzoek achteraf werd vastgesteld dat van de 66 aangetroffen graven 33 van vrouwen en kinderen waren. Defensie erkent dit, maar benadrukt dat de luchtsteun niet werd verzorgd door Nederlandse vliegtuigen. Zo gemakkelijk kan Defensie zich hier echter niet vanaf maken: Deh Rawod is een district in Uruzgan, en in deze provincie heeft Nederland de leiding van, en dus ook de verantwoordelijkheid over militaire operaties die worden uitgevoerd.

Het in oorlogssituaties toepassen van disproportioneel geweld tegen burgers is in strijd met de Verdragen van Genève. Het van grote afstand met granaten bestoken van woonkernen waar zich honderden burgers bevinden leidt onvermijdelijk tot onschuldige burgerslachtoffers, dat kan een kind begrijpen. Toch ontkennen de ministers Van Middelkoop, Verhagen en Koenders dat er in Qal ‘eh-ye Ragh buitensporig geweld is gebruikt. De Commandant van de Nederlandse Strijdkrachten heeft “in alle gevallen rekening gehouden met de beginselen van proportionaliteit, die vergen dat de inzet in verhouding moet staan tot het nagestreefde doel”, aldus de ministers in antwoord op vragen van kamerlid Peters van Groenlinks, afgelopen december.

Het Openbaar Ministerie lijkt er ook van uit te gaan dat naar omstandigheden alles netjes en volgens het ‘oorlogsrecht’ verlopen is. De aanklacht van de advocaten Steijnen en Stelling werd razendsnel afgewezen, omdat het OM “op basis (van de aanklacht) geen strafbaar feit kan construeren in Nederland en ook niet ingevolge de Wet internationale misdrijven (WIM)”. Bovendien wijst het OM er op dat het vervolgen van bewindslieden volgens artikel 119 van de Grondwet enkel mogelijk is “bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer”. De advocaten hebben beroep ingesteld tegen de weigering van het OM om de militaire top voor schendingen van het humanitair oorlogsrecht te vervolgen.

Sowiezo is Defensie nog niet van deze kwestie af. Deze week werd bekend dat strafdeskundige en advocaat Liesbeth Zegveld namens Afghaanse nabestaanden van de slachtoffers van beide luchtaanvallen schadeclaims zal gaan eisen. De vraag wie precies het commando heeft gegeven tot het bombarderen van Qal ‘eh-ye Ragh en Kakrak, en wie daarvoor de eindverantwoordelijkheid draagt, zal dan onvermijdelijk aan bod komen. Daarnaast loopt er nog een onderzoek van het Openbaar Ministerie in Arnhem naar mogelijke strafbare feiten door Nederlandse militairen bij de strijd in Chora. Of het OM nu de aangewezen instantie is om oorlogsmisdaden, waar de Nederlandse staat voor verantwoordelijk is kritisch te onderzoeken, valt te betwijfelen.

Gepubliceerd op de website van Eurodusnie